ECLI:NL:RBROT:2026:1024

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
11811332 CV EXPL 25-16183
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:269 lid 2 BWArt. 7:296 lid 1 BWArt. 3 lid 1 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging voortgezette huurovereenkomst en ontruiming ondanks belangen minderjarige kinderen

Woonstad Rotterdam vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning aan de onderhuurders, omdat onderverhuur zonder toestemming plaatsvond. De hoofdhuurder heeft de huurovereenkomst opgezegd, waardoor de onderhuurovereenkomst voortgezet werd door Woonstad. Woonstad stelt dat voortzetting onredelijk is vanwege het woningtoewijzingsbeleid en de schaarste aan sociale woningen.

De onderhuurders verschenen niet in de procedure, waardoor verstekvonnis wordt gewezen. De kantonrechter weegt de belangen van de minderjarige kinderen mee, zoals vereist door het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en recente jurisprudentie van de Hoge Raad. Ondanks de belangenafweging oordeelt de rechter dat de ontruiming gerechtvaardigd is, mede omdat de onderhuurders geen verweer voerden en geen bijzondere omstandigheden bekend zijn.

De ontruimingstermijn wordt verlengd tot een maand vanwege de aanwezigheid van minderjarige kinderen. Proceskosten worden niet toegewezen omdat partijen hierover een regeling troffen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat Woonstad de ontruiming kan afdwingen.

Uitkomst: De voortgezette huurovereenkomst eindigt en de onderhuurders worden veroordeeld tot ontruiming binnen een maand, ondanks de belangen van minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11811332 CV EXPL 25-16183
datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde 1]en
[gedaagde 2],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 18 juli 2025, met bijlagen;
  • de brief van Woonstad van 22 december 2025, met bijlagen;
  • het proces-verbaal van de zitting op 9 januari 2026.

2.Het geschil

2.1.
[naam] huurde van Woonstad de woning aan de [adres]. In de dagvaarding stelt Woonstad dat [naam] de woning heeft onderverhuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Dit was op grond van de huurovereenkomst niet toegestaan. Woonstad vorderde daarom in de dagvaarding ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [naam] tot ontruiming van de woning. [naam] heeft de huurovereenkomst per 17 oktober 2025, dus tijdens de procedure, opgezegd en op de zitting van 9 januari 2026 een regeling met Woonstad getroffen voor de huurachterstand en een gebruiksvergoeding voor de periode dat de woning nog niet is ontruimd (door [gedaagde 1] en [gedaagde 2]).
2.2.
Woonstad en [naam] hebben hun geschil met andere woorden geregeld en de zaak tegen [naam] is daarom doorgehaald, zodat de procedure alleen is voortgezet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Nu zij niet zijn verschenen, zal een verstekvonnis worden gewezen [1] .
2.3.
Woonstad stelt primair dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zonder recht of titel in de woning verblijven en vordert hen ertoe te veroordelen de woning te ontruimen. Woonstad vordert subsidiair, in het geval dat sprake is van een voortgezette huurovereenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2], te bepalen dat deze eindigt en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot ontruiming van de woning.

3.De beoordeling

beëindiging onderhuurovereenkomst
3.1.
Er is sprake van een onderhuurovereenkomst tussen [naam] aan de ene kant en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de andere kant.
3.2.
De huurovereenkomst tussen Woonstad en [naam] is door de opzegging van [naam] geëindigd. Op grond van artikel 7:296 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) is de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voortgezet door Woonstad. Woonstad vordert echter op grond van artikel 7:269 lid 2 aanhef Pro en onder c BW te bepalen dat de huurovereenkomst eindigt omdat het, zoals het artikel het formuleert:
in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de inhoud van de huurovereenkomsten die betrekking hebben op soortgelijke woonruimte alsmede op de inhoud van de geëindigde huur tussen hem en de huurder en de inhoud van de voortgezette huurovereenkomst, niet van hem kan worden gevergd dat hij de huur met de wederpartij voortzet.
3.3.
Woonstad voert ter onderbouwing van haar standpunt aan dat zij woningen verhuurt aan minder draagkrachtigen. Woningen voor minder draagkrachtigen zijn echter schaars en daarom bestaat een woningtoewijzingsbeleid waar Woonstad zich strikt aan wil houden. Als toegestaan wordt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huurovereenkomst voortzetten, omzeilt dit het woningtoewijzingsbeleid. Woonstad wil daarom dat de huurovereenkomst eindigt en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit de woning vertrekken.
3.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet in deze procedure verschenen. Zij voeren dus geen verweer tegen wat Woonstad naar voren brengt. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en is in beginsel dus toewijsbaar. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben echter twee minderjarige kinderen, die ook in de woning wonen, en de kantonrechter moet de belangen van die kinderen meewegen in haar beslissing.
belangenafweging minderjarigen
3.5.
In zijn arrest van 28 november 2025 [2] gaat de Hoge Raad in op de betekenis van artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in een geval waarin een verhuurder ontruiming vordert van een woning waar ook minderjarige kinderen wonen. De Hoge Raad zegt in overweging 3.2.3. van het genoemde arrest:
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt art. 3 lid 1 IVRK Pro mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht en bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, als ‘eerste overweging’ in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
3.6.
De uitkomst van de te maken belangenafweging hangt af van alle omstandigheden van het geval en daar vallen volgens de Hoge Raad (rechtsoverweging 3.3.7) geen andere richtsnoeren of handvatten voor te geven dan wat zij in het arrest zegt over het recht van een kind om niet gescheiden te worden van zijn ouders, tenzij die scheiding in zijn belang is, de mogelijkheid van alternatieve huisvesting, de mate waarin de huurders een verwijt van de ontstane situatie te maken valt en de belangen van de verhuurder. De kantonrechter moet in zijn motivering uitleg over de gemaakte afweging geven. De Hoge Raad zegt tot slot (in rechtsoverweging 3.5.2.) dat als de vordering tot ontruiming toewijsbaar blijkt, de rechter met het oog op de belangen van de minderjarigen, een langere ontruimingstermijn dan gebruikelijk zou kunnen geven.
3.7.
De kantonrechter is in deze zaak van oordeel dat het feit dat er minderjarigen in de woning wonen, niet aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet in deze procedure verschenen en laten daarmee na zelf op te komen voor de belangen van hun kinderen. De kantonrechter weet alleen dat er minderjarigen wonen, maar of er bijzondere (lichamelijke, psychische, sociale) omstandigheden zijn waarmee rekening gehouden moet worden is niet bekend. Dat soort vragen kon de kantonrechter niet aan de huurders stellen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] weten daarnaast, dat stelt Woonstad en het wordt niet betwist, dat Woonstad wil dat zij de woning verlaten. Ook [naam] heeft eerder aan hen gevraagd om uit de woning te vertrekken. Het oordeel dat zij de woning moeten ontruimen, zal voor hen dus niet als een verrassing komen. Wat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de afgelopen maanden zelf hebben gedaan om andere woonruimte te vinden, voor zichzelf en met name voor hun kinderen, weet de kantonrechter ook niet. Door niet te verschijnen kon ook daarover niets gevraagd worden. Hun toezegging aan Woonstad om voortaan rechtstreeks de huur aan haar te betalen, zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet nagekomen. Dat betekent dat Woonstad geconfronteerd is met een woning waar al maanden niet voor betaald is (ook [naam] betaalde niet). Een ander belang van Woonstad is dat zij, zoals eerder vermeld, schaarse woonruimte eerlijk wil verdelen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] omzeilen die (terechte) wens op deze manier. Het is, zoals Woonstad stelt, in de gegeven omstandigheden niet aan haar om vervangende woonruimte te vinden voor het gezin. Dat haalt het woningtoewijzingsbeleid onderuit, waarbij komt dat op de wachtlijst voor de schaarse woonruimte ook gezinnen met andere kinderen staan die graag een woning willen.
3.8.
De vordering van Woonstad is kortom toewijsbaar. De huurovereenkomst eindigt per vandaag.
ontruimingstermijn
3.9.
De ontruimingstermijn wordt in het algemeen gesteld op twee weken nadat de deurwaarder het ontruimingsvonnis uitreikt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich, of zij dit nu gedaan hebben of niet, al enige tijd kunnen voorbereiden op vertrek uit de woning. De kantonrechter ziet echter in de aanwezigheid van minderjarigen in de woning, aanleiding de ontruimingstermijn iets langer te maken. Deze ontruimingstermijn is daarom geen twee weken na het uitreiken (betekenen) van dit vonnis, maar een maand.
proceskosten
3.10.
Woonstad en [naam] hebben op de zitting van 9 januari 2026 afgesproken dat [naam] € 1.000,00 aan proceskosten aan Woonstad betaalt. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit alle kosten aan de kant van Woonstad zijn en ziet daarom aanleiding om in dit vonnis niets aan proceskosten toe te wijzen.
uitvoerbaar bij voorraad
3.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat Woonstad af kan dwingen dat [gedaagde 1] en Rafailov aan de veroordeling in dit vonnis voldoen, ook als aan een andere rechter wordt gevraagd de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
bepaalt dat de voortgezette huurovereenkomst tussen Woonstad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] eindigt per vandaag;
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen een maand nadat de deurwaarder dit vonnis aan hen betekent, de woning aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hen bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders gevorderd is af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
686

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274
2.Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799