ECLI:NL:RBROT:2025:8000
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen stopzetting Ziektewetuitkering en afwijzing WIA-aanvraag
Verzoeker, werkzaam als schoonmaker, viel uit wegens gezondheidsklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars ziektewetbeoordeling stelde het UWV vast dat verzoeker passende arbeid kan verrichten met een verdiencapaciteit van 78,38%, waardoor de Ziektewetuitkering per 20 januari 2025 werd stopgezet. Omdat verzoeker niet 104 weken recht had op deze uitkering, wees het UWV ook zijn WIA-aanvraag af.
Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om een voorschot op de WIA-uitkering te verkrijgen totdat op bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang onvoldoende was aangetoond, mede omdat verzoeker een pensioenuitkering ontvangt die boven bijstandsniveau ligt en geen bewijs leverde van een onomkeerbare financiële noodsituatie.
Daarnaast is de hoorzitting vervroegd en zal snel een beslissing op bezwaar volgen, waarbij ook de verzekeringsarts aanwezig zal zijn. De voorzieningenrechter vond ook geen aanwijzingen voor evident onrechtmatigheid van het UWV-besluit, gezien de medische rapportages en het ontbreken van aanvullende medische stukken.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af en legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen stopzetting van de Ziektewetuitkering en afwijzing van de WIA-aanvraag wordt afgewezen.