ECLI:NL:RBROT:2025:6776
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boete voor schending informatieplicht bij WW-uitkering bevestigd ondanks persoonlijke omstandigheden
Eiser ontving vanaf 1 januari 2023 een WW-uitkering en meldde niet alle werkzaamheden die hij verrichtte voor zijn eigen B.V., wat leidde tot een boete van €5.729,61 wegens schending van de informatieplicht. Het UWV herzag zijn uitkering en legde tevens een terugvordering op van €11.459,22. Eiser maakte bezwaar tegen de boete en voerde aan dat het UWV fouten maakte in de bezwaarprocedure door de hoorzitting te gebruiken voor foutenherstel en dat zijn persoonlijke omstandigheden, zoals mantelzorg en stress, tot verminderde verwijtbaarheid leidden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht een boete oplegde omdat de informatieplicht duidelijk was en het niet melden van werkzaamheden een schending vormt. De bezwaarprocedure is volgens vaste rechtspraak juist bedoeld voor het herstel van zorgvuldigheidsgebreken, waardoor het gebruik van de hoorzitting voor toelichting niet onrechtmatig was. De persoonlijke omstandigheden van eiser waren invoelbaar maar onvoldoende om van verminderde verwijtbaarheid te spreken, omdat hiervoor objectieve medische stukken ontbreken.
De rechtbank vond ook geen dringende redenen om af te zien van de boete of deze te matigen. Het tijdsverloop en het handelen van het UWV waren niet zodanig dat de boete verminderd moest worden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor hij de boete moet betalen en het griffierecht niet terugkrijgt.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €5.729,61 voor schending van de informatieplicht en verklaart het beroep ongegrond.