ECLI:NL:RBROT:2025:6146
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Verzoekster, voormalig business development manager, diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering na beëindiging van haar Ziektewetuitkering. Het UWV stelde op basis van een medisch onderzoek en een arbeidsdeskundig rapport vast dat verzoekster haar eigen werk niet meer kan doen, maar wel geschikt is voor ander werk waarmee zij meer dan 65% van haar eerdere loon kan verdienen. Hierdoor is haar arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op minder dan 35%, waardoor zij geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Verzoekster betwistte deze vaststelling en vroeg om een voorlopige voorziening om een voorschot op de WIA-uitkering te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster weliswaar een spoedeisend belang heeft omdat zij momenteel geen inkomsten heeft, maar dat de kans van slagen van haar bezwaar klein is. De medische beoordeling is zorgvuldig getoetst door een verzekeringsarts en verzoekster heeft geen tegenbewijs geleverd.
Ook de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn volgens het UWV en de voorzieningenrechter passend, zodat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet hoger is dan 35%. Verzoekster kan een wijzigingsformulier indienen als haar beperkingen toenemen. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af, waardoor het UWV voorlopig geen WIA-uitkering hoeft te verstrekken.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een voorschot op de WIA-uitkering wordt afgewezen omdat verzoekster minder dan 35% arbeidsongeschikt is.