ECLI:NL:RBROT:2025:5973
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak in civiele zaak
De wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot wraking van de rechter in een civiele zaak tussen verzoeker, handelend onder de naam een autobedrijf, en een tegenpartij. Het wrakingsverzoek betrof mr. S.H. Poiesz, rechter in de hoofdzaak.
Wraking dient de onpartijdigheid van de rechter te waarborgen en kan alleen worden ingesteld zolang de rechter nog bemoeienis met de zaak heeft. Op 2 mei 2025 had de rechter in de hoofdzaak een einduitspraak gedaan, waarmee de behandeling van de zaak was afgesloten. Het wrakingsverzoek werd door de rechtbank pas op 11 mei 2025 ontvangen, dus na de einduitspraak.
Hoewel de gemachtigde van verzoeker het wrakingsverzoek op de dag van de uitspraak per post had verstuurd, was het verzoek op dat moment nog niet ontvangen door de rechtbank en kon de rechter daar geen rekening mee houden. Daarom oordeelde de wrakingskamer dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat het doel van wraking niet meer kon worden bereikt.
De wrakingskamer verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk met toepassing van het wrakingsprotocol van de rechtbank. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek omdat dit pas na de einduitspraak in de hoofdzaak werd ontvangen.