Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
- het ouderlijk gezag
- de regeling van het omgangsrecht dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
- het verzoek om voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 Rv Pro
1.De verdere procedure
- de beschikking van deze rechtbank van 15 januari 2024;
- het aanvullend rapport van de bijzonder curator van 3 juni 2024.
- het bericht van de vrouw van 11 september 2024, met bijlage.
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 10 oktober 2024;
- de berichten van de man van 22 november 2024, 29 november 2024, 13 december 2024 en 6 februari 2025;
- de berichten van de vrouw van 2 december 2024 en 16 december 2024.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [naam 2] ;
- de bijzonder curator;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .
2.De nadere vaststaande feiten in de hoofdzaken 649936 en 653017
3.De beoordeling
- i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,
- ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,
- iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en
- iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.