Eisers, een Turks gezin met een minderjarig kind, voerden beroep aan tegen de intrekking van hun verblijfsvergunningen door de minister van Asiel en Migratie. De intrekking was gebaseerd op het feit dat eiser sinds 1 november 2019 niet meer als werknemer in loondienst werkte, maar als zelfstandige, waardoor hij niet meer tot de legale arbeidsmarkt van Nederland behoort volgens artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80.
De rechtbank overweegt dat het recht op arbeid en verblijf voor Turkse werknemers volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie EU verloren gaat indien binnen een redelijke termijn na het beëindigen van een dienstbetrekking geen nieuwe dienstbetrekking wordt gevonden. Eisers hadden geen nieuwe arbeid in loondienst gevonden binnen de door verweerder gehanteerde termijn van zes tot negen maanden en hadden ook niet naar werk gezocht.
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat de intrekking terecht is. Tevens kent de rechtbank eisers een schadevergoeding toe van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. De proceskosten voor het verzoek tot schadevergoeding worden verdeeld tussen verweerder en de Staat.