De zaak betreft een geschil tussen de Universiteit van Amsterdam (UvA) en een student over de inning van onbetaald wettelijk collegegeld voor het studiejaar 2023-2024. De UvA vordert betaling van het openstaande bedrag van € 1.021,12 plus proceskosten. De student betwist de bevoegdheid van de civiele kantonrechter omdat de UvA een publiekrechtelijk persoon is en het collegegeld op grond van publiekrechtelijke regelgeving int.
De kantonrechter oordeelt dat de kantonrechter wel bevoegd is omdat het collegegeld niet wordt geïnd op basis van een algemeen verbindend voorschrift dat via bestuursrechtelijke weg moet worden aangevochten, maar op grond van civielrechtelijke vordering. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek regelt de hoogte van het collegegeld, maar biedt geen executoriale titel voor inning.
De kantonrechter veroordeelt de student in de proceskosten van € 202,50. De hoofdzaak wordt aangehouden en op 29 april 2025 wordt een zitting gepland waar partijen hun standpunten kunnen toelichten en mogelijk tot een oplossing kunnen komen. Verdere beslissingen worden aangehouden.