ECLI:NL:RBROT:2025:2563
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanslagen zuiveringsheffing bedrijfsruimte versus woonruimte
Eiser, eigenaar en verhuurder van twee objecten, maakte bezwaar tegen aanslagen zuiveringsheffing voor de jaren 2022 en 2023. De heffingsambtenaar verklaarde één bezwaar ongegrond en drie bezwaren niet-ontvankelijk vanwege te late indiening. De rechtbank bevestigt de niet-ontvankelijkheid van deze bezwaren omdat eiser niet tijdig bezwaar maakte en geen verschoonbare reden aanvoerde.
Voor het bezwaar dat wel ontvankelijk was, betwistte eiser de kwalificatie van het pand als bedrijfsruimte en stelde dat het als woonruimte moest worden aangemerkt. De rechtbank toetste dit aan de wettelijke definitie van woonruimte en bedrijfsruimte volgens de Waterschapswet en de Verordening zuiveringsheffing.
De rechtbank oordeelde dat de onroerende zaak uit drie slaapkamers met gedeelde voorzieningen bestaat, waardoor geen zelfstandige woonruimten aanwezig zijn. Ook is niet voldaan aan de criteria voor een gezin of daarmee gelijk te stellen leefeenheid, zodat het pand niet als woonruimte kan worden aangemerkt. De aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte is daarom terecht opgelegd.
Eiser voerde tevens aan dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden, maar de rechtbank verwierp dit omdat de motivering passend was gezien het beperkte bezwaarschrift. De beroepen zijn daarmee ongegrond verklaard en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen zuiveringsheffing bedrijfsruimte worden ongegrond verklaard en het pand blijft als bedrijfsruimte aangemerkt.