ECLI:NL:RBROT:2025:15730

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/10/702319 HA ZA 25-546
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 BWArt. 4:13 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg testament en toepassing versterferfrecht bij gewijzigde gezinssituatie

Mevrouw erflaatster overleed in 2022, gehuwd met gedaagde, met wie zij sinds 1995 een gezin vormde, inclusief een in 1996 geboren kind. Haar testament dateert uit 1995, kort na haar echtscheiding, en benoemt haar drie zonen als erfgenamen. De eisers, drie zonen en vereffenaars van de nalatenschap, vorderen een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en erkennen het testament als rechtsgeldig.

Gedaagde stelt dat het testament vergeten is en niet meer van toepassing is door de gewijzigde gezinssituatie, waaronder het huwelijk en de geboorte van een vierde kind. De rechtbank bevestigt dat het testament formeel geldig is, maar past artikel 4:46 BW Pro toe voor uitleg, waarbij ook latere feiten en omstandigheden worden betrokken.

De rechtbank concludeert dat het testament alleen de situatie van 1995 regelde en niet de latere gezinssituatie. Daarom is het testament niet van toepassing op het moment van overlijden en geldt het wettelijk versterferfrecht. Dit betekent dat gedaagde en alle vier de kinderen gezamenlijk erfgenaam zijn. De vorderingen van eisers worden afgewezen, de reconventionele vordering van gedaagde toegewezen, en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het testament uit 1995 is niet van toepassing op het moment van overlijden; het wettelijk versterferfrecht is van toepassing.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer/rolnummer: C/10/702319 HA ZA 25-546
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

mede in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] ,
woonplaats: [woonplaats] ;
2. [eiser 2],
mede in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] ,
woonplaats: [woonplaats] ;
3. [eiser 3],
mede in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] ,
woonplaats: [woonplaats] ;
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
advocaat: mr. W.L.C. Muilwijk, Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen:
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat: mr. W.M. Smeets, Hellevoetsluis.
Partijen worden hierna ‘ [eisers] .’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. [eisers] . worden afzonderlijk aangeduid als [naam ] , [naam 2] en [naam 3] , omdat hun achternamen niet onderscheidend zijn.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 19 juni 2025, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 13 augustus 2025, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met bijlage;
  • de door [gedaagde] op 21 oktober 2025 toegezonden bijlagen;
  • de pleitnota van [eisers] . en de zittingsaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Op 22 oktober 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Aanwezig waren [eisers] . met mr. Muilwijk en [gedaagde] met mr. Smeets. Ook aanwezig was de partner van [naam ] .
1.3.
Na de zitting is de zaak aangehouden omdat partijen verder wilden onderzoeken of zij er in onderling overleg uit konden komen. Partijen hebben de rechtbank op 19 november 2025 bericht dat hen dat niet is gelukt.

2.Het geschil

Wat is er gebeurd?
2.1.
Op [datum] 2022 is in Dordrecht overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Haar laatste woonplaats was [woonplaats] . Op het moment van overlijden was erflaatster gehuwd met [gedaagde] .
2.2.
Erflaatster is eerder gehuwd geweest met [eiser 2] . Uit dat huwelijk heeft erflaatster drie kinderen gekregen, [eisers] . Op 2 maart 1995 is erflaatster gescheiden van [eiser 2] .
2.3.
Kort na haar echtscheiding heeft erflaatster op 24 mei 1995 een testament laten opmaken. Daarin zijn de volgende – voor deze zaak van belang zijnde – bepalingen opgenomen:

ERFSTELLING
Ik benoem mijn drie zonen tot mijn erfgenamen tezamen en voor gelijke delen behoudens plaatsvervulling als in de wet bepaald(…)
VOOGDIJBENOEMING
Voor het geval ten tijde van mijn overlijden één of meer van mijn kinderen nog minderjarig mocht(en) zijn, benoem ik tot voogdes over de minderjarige(n): (…)
Ik verzoek de voogdes de kinderen in het eigen gezin te willen opnemen.”
2.4.
[gedaagde] en erflaatster zijn in september 1995 een affectieve relatie aangegaan. Uit die relatie is op [geboortedatum] 1996 [naam 4] (hierna [naam 4] ) geboren. Erflaatster, [gedaagde] , [naam 4] en [eisers] . hebben jaren een gezin gevormd.
2.5.
Op 7 januari 2021 zijn erflaatster en [gedaagde] gehuwd in gemeenschap van goederen.
2.6.
[eisers] . hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. [naam 4] heeft een beroep gedaan op haar wettelijk erfdeel (de legitieme portie).
2.7.
Uit de verklaring van erfrecht van 2 december 2022 blijkt dat [eisers] . en [naam 4] een volmacht hebben verleend aan [gedaagde] . De volmacht is op 9 oktober 2023 door [naam ] ingetrokken en op 24 januari 2024 is de volmacht ook namens [naam 2] en [naam 3] ingetrokken.
2.8.
D.C. Simon, financieel adviseur, heeft bij brief van 22 juni 2025 aan mr. Smeets onder meer als volgt verklaard:
“ Er is toen in 2015 al aan cliënten gevraagd over de wijze van samenleving en of er een samenlevingscontract is. Ook komt automatisch aan de orde of er testamenten zijn opgesteld. Beide vragen zijn door beide partijen met een duidelijke NEE beantwoord.
In 2019 is er wederom voor een krediet geadviseerd en bemiddeld voor cliënten. Ook in dit gesprek kwamen de geijkte vragen weer aan de orde. De heer [gedaagde] gaf toen wel te kennen dat zij iets zouden gaan regelen voor het samenleven.
De reden dat ik dus met de heer [gedaagde] in gesprek ben geweest met Bakker advocaten had er dus mee te maken dat wij als organisatie, in deze ondergetekende, niet op de hoogte was van een testament.
Waarom dit nimmer aan de orde is gekomen is mij niet bekend. Wel ben ik er stellig van overtuigd dat mevrouw [erflaatster] dit testament “werkelijk” is vergeten.”
2.9.
[naam 4] heeft bij e-mailbericht van 19 oktober 2025 aan [gedaagde] onder meer het volgende bericht:
“Hierbij mijn verklaring dat ik het testament niet heb gevonden, ik had het verkeerd gelezen
toen ik papieren vond.
Het waren papieren over de echtscheiding.”
De vorderingen in conventie
2.10.
[eisers] . stellen zich op het standpunt dat zij als vereffenaars van de nalatenschap van erflaatster gerechtigd zijn tot 1/2e onverdeeld aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap. Het grootste bestanddeel van de te verdelen gemeenschap betreft volgens [eisers] . de woning aan de [adres] in [woonplaats] .
[eisers] . zijn van mening dat [gedaagde] heeft erkend dat het testament van erflaatster rechtsgeldig is, door medewerking te verlenen aan de verklaring van erfrecht en zich als volmachtgever op te werpen inzake de afwikkeling. Verder betwisten [eisers] . dat sprake zou zijn van een niet rechtsgeldig testament of van een zodanige uitleg van het testament die ertoe zou leiden dat zij niet (enig) erfgenaam zouden zijn van de nalatenschap.
2.11.
Tegen deze achtergrond vorderen [eisers] . in conventie, samengevat:
primair:
I. de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen;
subsidiair:
II. de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te gelasten conform de door [eisers] voorgestelde wijze;
zowel primair als subsidiair:
III. te bepalen dat het door de rechtbank te wijzen vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking van [gedaagde] voor verkoop en/of levering van de woning;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
De vorderingen in reconventie
2.12.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een vergeten testament, met als gevolg dat [eisers] . op grond van artikel 4:46 BW Pro geen rechten kunnen ontlenen aan dit testament.
2.13.
Tegen deze achtergrond vordert [gedaagde] in reconventie, samengevat:
primair:
voor recht te verklaren dat aan het op 24 mei 1995 opgemaakte testament van erflaatster, de werking is komen te ontvallen, aldus dat daar geen betekenis aan toekomt voor wat betreft de vererving van de nalatenschap van erflaatster en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is;
subsidiair:
voor recht te verklaren dat de tekst van het testament van erflaatster voor het onderdeel “erfstelling” geheel dient te worden aangepast;
meer subsidiair:
voor recht te verklaren dat de tekst van het testament van erflaatster moet worden uitgelegd;
primair en subsidiair:
hoofdelijke veroordeling van [eisers] . in de proceskosten.
De verweren in conventie en in reconventie
2.14.
[gedaagde] voert als verweer dat het testament van 24 mei 1995, kort na haar echtscheiding, uitsluitend door erflaatster is opgesteld om voor dat moment de zaken voor haar toen nog minderjarige kinderen – en dan met name het voogdijschap – goed te regelen, maar dat zij in de jaren daarna vergeten is dat er een testament was en dat dit aangepast moest worden aan de nieuwe situatie. Bij herhaling heeft zij op de vraag van de financieel adviseur D.C. Simon of er testamenten zijn opgesteld, ontkennend geantwoord.
Erflaatster zou volgens [gedaagde] nooit hebben gewild dat uitsluitend haar drie oudste kinderen erfgenaam zouden zijn, en niet (ook) haar echtgenoot [gedaagde] en haar dochter [naam 4] . Dat valt, in het licht van de familieverhoudingen, ook niet uit te leggen. Tussen erflaatster en [naam 2] was er al jarenlang geen contact en tussen erflaatster en [naam ] was sprake van minimaal contact, terwijl zij met [naam 4] een veel intensievere relatie onderhield. Dit alleen al duidt op een ‘vergeten’ testament, aldus [gedaagde] . Volgens [gedaagde] moet de nalatenschap daarom conform het wettelijk versterferfrecht worden verdeeld, waarbij [gedaagde] als langstlevende echtgenoot alle bezittingen en schulden erft, en [eisers] . en [naam 4] een niet opeisbare vordering hebben op [gedaagde] .
2.15.
[eisers] . voeren het verweer dat bewijs ontbreekt dat het de kennelijke wil van erflaatster was dat haar testament alleen werking zou hebben onder de omstandigheden die bestonden vóór de geboorte van [naam 4] en/of het huwelijk met [gedaagde] . Noch uit de tekst van het testament, noch uit de overige feiten en omstandigheden blijkt volgens [eisers] . dat erflaatster de gelding van haar uiterste wil aan enig toekomstig voorval heeft willen verbinden. [eisers] . betwisten verder dat erflaatster haar testament zou zijn vergeten. Zo voeren zij aan dat erflaatster haar testament al die tijd zorgvuldig heeft bewaard.

3.De beoordeling

In conventie en in reconventie

3.1.
[eisers] . stellen dat zij, als erfgenamen/vereffenaars gerechtigd zijn tot 1/2e deel van de huwelijksgoederengemeenschap. [gedaagde] betwist dit, want volgens hem moet de nalatenschap volgens het wettelijk versterferfrecht worden verdeeld. Het draait daarbij om de vraag of hier sprake is van een ‘vergeten’ testament.
Is sprake van een vergeten testament?
3.2.
[eisers] . stellen dat [naam 4] op 28 april 2024 het testament van erflaatster heeft gevonden tussen de persoonlijke spullen van erflaatster. Zij verwijzen daarvoor naar een whatsappbericht van [naam 4] aan [naam ] :
“Heb ook een oude map gevonden met het testament enzo erin van m’n ma”.Onder verwijzing naar een e-mailbericht van [naam 4] van 19 oktober 2025 en whatsappcorrespondentie tussen [naam 4] en hem, betwist [gedaagde] dat [naam 4] op 28 april 2024 het testament van erflaatster zou hebben gevonden. Maar zelfs als dit wel het geval zou zijn geweest, dan brengt de enkele mee verhuizing van een oude map met oude echtscheidingsstukken en een testament volgens [gedaagde] niet met zich mee dat erflaatster zich daarvan ook bewust was. Volgens hem is sprake van een ‘vergeten’ testament met als rechtsgevolg, op grond van artikel 4:46 BW Pro en op grond van rechtspraak, dat de werking van het testament is komen te vervallen, aldus dat daaraan geen betekenis toekomt voor wat betreft de vererving van de nalatenschap van erflaatster. Erflaatster is volgens [gedaagde] vergeten dat zij in 1995 een testament heeft opgemaakt. Zo heeft erflaatster bij herhaling, zowel in 2015 als in 2019, ontkennend geantwoord op de vraag van de financieel adviseur of er testamenten zijn opgesteld. Verder voert [gedaagde] aan dat wanneer erflaatster niet was vergeten dat zij een uiterste wilsbeschikking had gemaakt, zij is vergeten haar testament te herroepen/wijzigen vanwege ingrijpende gewijzigde persoonlijke omstandigheden en verhoudingen. Ten tijde van haar overlijden waren de omstandigheden van erflaatster volstrekt anders dan ten tijde van het opstellen van het testament. Zo waren [eisers] . in 1995 nog minderjarig en was erflaatster net gescheiden van de vader van [eisers] . [gedaagde] voert daarnaast aan dat ook wanneer een uiterste wilsbeschikking niet is herroepen, tot een andere uitleg van het testament kan worden gekomen.
Geldigheid van het testament
3.3.
Een testament blijft geldig totdat het overeenkomstig de wet is herroepen. Dat erflaatster zich later niet bewust was van het bestaan van haar testament, dan wel tegenover derden heeft verklaard dat zij geen testament had, kan niet worden aangemerkt als een rechtsgeldige herroeping. Het testament van 24 mei 1995 is daarom formeel rechtsgeldig.
Uitleg van het testament (artikel 4:46 BW Pro)
3.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat het testament in taalkundige zin helder is: in het testament staat heel duidelijk dat erflaatster haar drie zonen benoemt tot haar erfgenamen. Volgens vaste jurisprudentie is, om te kunnen vaststellen of de bewoordingen van de uiterste wil duidelijk genoeg zijn en op welk rechtsgevolg de uiterste wilsbeschikking van erflaatster is gericht, uitleg nodig. Omdat het testament is opgesteld vóór 1 januari 2003 (onder het oude recht), maar erflaatster daarna (onder het nieuwe recht) is overleden, is artikel 4:46 lid 1 BW Pro van toepassing. Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW Pro moet bij de uitleg van een testament in eerste instantie gelet worden op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.
3.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 november 2023 overwogen dat bij deze uitleg tevens acht mag worden geslagen op feiten en omstandigheden die zich ná het opmaken van de uiterste wilsbeschikking hebben voorgedaan, indien deze maken dat de feitelijke situatie niet langer aansluit bij hetgeen de erflater kennelijk heeft willen regelen. Volgens de Hoge Raad kan de uiterste wil dan zó worden uitgelegd dat de betreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. [1]
3.6.
Toegepast op deze zaak betekent dit dat de omstandigheid dat erflaatster in haar testament van 24 mei 1995 niet is vooruitgelopen op de latere wijziging in haar huwelijks- en gezinssituatie (de geboorte van nog een kind en hertrouwen) niet meebrengt dat die wijziging bij de uitleg van het testament geen rol kan spelen. De vraag of zich door de geboorte van [naam 4] en het huwelijk met [gedaagde] , feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij dat wat erflaatster kennelijk wilde regelen, beantwoordt de rechtbank aan de hand van de door partijen gegeven toelichting bevestigend. Het testament is opgemaakt in 1995, kort na de echtscheiding van erflaatster, in een periode waarin zij drie minderjarige kinderen had en niet gehuwd was. Nadien hebben zich ingrijpende wijzigingen voorgedaan in de persoonlijke en familierechtelijke verhoudingen van erflaatster, te weten:
de geboorte van een vierde kind en het aangaan van een huwelijk met [gedaagde] ,met wie zij al sinds september 1995 samenleefde.
3.7.
Deze omstandigheden zijn zodanig ingrijpend dat de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen erflaatster in 1995 kennelijk wenste te regelen. De rechtbank acht het aannemelijk dat het testament uit 1995 uitsluitend beoogde de toen bestaande situatie (alleenstaand met 3 minderjarige kinderen) te regelen en dat erflaatster met dit testament geen regeling heeft willen treffen voor de situatie waarin zij gehuwd zou zijn en een vierde kind zou hebben.
3.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het testament van 24 mei 1995 geen toepassing heeft op de situatie ten tijde van het overlijden van erflaatster, althans voor zover het afwijkt van hetgeen bij wettelijke erfopvolging zou gelden. Geoordeeld wordt daarom dat de uiterste wilsbeschikking alleen gold voor de situatie voordat [gedaagde] en [naam 4] ‘in beeld’ kwamen. Het wettelijk versterferfrecht is daarom van toepassing. Dit betekent dat [gedaagde] en alle vier de kinderen van erflaatster gezamenlijk erfgenaam zijn, ieder voor een gelijk deel. Op grond van artikel 4:13 BW Pro is de wettelijke verdeling van toepassing, waardoor [gedaagde] van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkrijgt en de vier kinderen een niet-opeisbare vordering hebben ter grootte van de waarde van hun erfdeel.
De vorderingen in conventie van [eisers] . worden daarom afgewezen. De (primaire) vordering in reconventie wordt toegewezen.
Proceskosten
3.9.
De rechtbank ziet, vanwege de voormalige gezinsrelatie, aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.10.
Dit vonnis zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [2] Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van diens uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).

4.De beslissing

De rechtbank:
In conventie:
4.1.
wijst de vorderingen af;
In reconventie:
4.2.
verklaart voor recht dat aan het op 24 mei 1995 opgemaakte testament van [erflaatster] , geboren te [woonplaats] op [datum] 1962 en overleden op [datum] 2022 te [woonplaats] , de werking is komen te ontvallen, aldus dat daaraan geen betekenis toekomt voor wat betreft de vererving van de nalatenschap van erflaatster en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is;
In conventie en in reconventie:
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
3092

Voetnoten

1.HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531
2.artikel 233 Rv Pro