ECLI:NL:RBROT:2025:15419

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1863
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor een persoon in problematische schuldensituatie met eerdere ingangsdatum

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) voor mevrouw [verzoekster], die zich in een problematische schuldensituatie bevindt. Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de Wsnp, wat door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft daarbij een eerdere ingangsdatum vastgesteld op 24 oktober 2025, omdat er gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject beslag is gelegd op haar inkomen, waardoor zij niet in staat was om te sparen voor haar schuldeisers. De rechtbank heeft vastgesteld dat mevrouw [verzoekster] aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp voldoet, waaronder de eis dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden. De rechtbank heeft ook de duur van de Wsnp-regeling vastgesteld op achttien maanden, met een einddatum op 24 april 2027. Tijdens de procedure zijn verschillende betrokkenen gehoord, waaronder schuldhulpverleners van de gemeente Rotterdam. De rechtbank heeft een bewindvoerder benoemd die toezicht houdt op de naleving van de verplichtingen van mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp. De uitspraak benadrukt het belang van de inspanningsverplichting en de informatieverplichting die mevrouw [verzoekster] moet naleven. De rechtbank heeft ook een rechter-commissaris benoemd om toezicht te houden op de bewindvoerder. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
24 december 2025
op het verzoek van:
[verzoekster],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 16 december 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [verzoekster] ,
- mevrouw [persoon A] , schuldhulpverlener van de gemeente Rotterdam,
- mevrouw [persoon B] , schuldhulpverlener van de gemeente Rotterdam.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
Mevrouw [verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.3.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
2.4.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.5.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.6.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.7.
In het verzoekschrift is een berekening van het vrij te laten bedrag overgelegd, gedateerd op 6 februari 2025. Uit de stukken blijkt dat deze berekening niet correct is vastgesteld door schuldhulpverlening. Mevrouw [verzoekster] woonde tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject samen met haar ex-partner, maar de inkomsten van haar ex-partner zijn niet meegenomen in de berekening van het vtlb. Hierdoor is het voor de rechtbank niet mogelijk om te controleren of mevrouw [verzoekster] in de periode van februari tot en met september 2025 heeft voldaan aan haar afdrachtverplichting. Om deze reden wordt deze periode niet meegenomen bij het vaststellen van een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling.
2.8.
De rechtbank constateert verder dat gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject, in de periode van oktober tot en met november 2025, er niet gespaard is voor de gezamenlijke schuldeisers. Dit kwam doordat een schuldeiser beslag had gelegd op de inkomsten van mevrouw [verzoekster] , waardoor een deel van haar inkomen gedurende twee maanden uitsluitend aan deze schuldeiser is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan mevrouw [verzoekster] . Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.
2.9.
De rechtbank stelt bovendien vast dat in de periode van het schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting is voldaan nu mevrouw [verzoekster] een Ziektewet-uitkering ontvangt.
2.10.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 24 oktober 2025, zijnde de maand waarin er gedurende het minnelijke traject van schuldhulpverlening voor het eerst is afgelost uit hoofde van een ten laste van mevrouw [verzoekster] gelegd beslag.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.6.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.7.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .
3.8.
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats]
- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom
en tot bewindvoerder A. Noordzij,
gevestigd te Postbus 7441,
3284 ZG Zuid-Beijerland;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 24 oktober 2025 en de duur op achttien maanden en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 24 april 2027;
  • draagt de bewindvoerder op de post van mevrouw [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. [1]