ECLI:NL:RBROT:2025:15220

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9704
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen en voorlopige voorziening

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling) door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker de gevraagde informatie niet heeft overgelegd. Verzoeker, die sinds 21 december 2009 een AIO-aanvulling ontving, heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij stelt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om de gevraagde informatie te verkrijgen, maar dat hij daarover niet in redelijkheid kan beschikken. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025 behandeld en heeft geoordeeld dat er voldoende spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 20 november 2025, waardoor verzoeker recht heeft op voorschotten tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens moet de SVB het griffierecht en proceskosten vergoeden aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9704

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en

De Sociale verzekeringsbank, SVB

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling). De SVB heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker de gevraagde informatie niet heeft overgelegd. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. Daartoe voert hij aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om de gevraagde informatie te verkrijgen, maar daarover niet in redelijkheid de beschikking kan krijgen. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft medio 2024 een aanvraag gedaan voor een AIO-aanvulling op zijn ouderdomspensioen. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2025 afgewezen en de reeds uitbetaalde voorschotten tot een bedrag van € 12.429,84 met terugwerkende kracht vanaf 20 mei 2024 van verzoeker teruggevorderd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de SVB. Als tolk was aanwezig: [naam].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker (1944) ontving sinds 21 december 2009 een AIO-aanvulling op zijn ouderdomspensioen. De SVB heeft de AIO-aanvulling destijds ingetrokken, omdat uit een vermogensonderzoek in Marokko was gebleken dat verzoeker beschikte over twee woningen in Marokko:
  • Woning 1 op het adres [adres 1] (woning 1); en
  • Woning 2 op het adres [adres 2] (woning 2).
2.1.
Woning 1 staat niet geregistreerd in het Marokkaanse kadaster. Woning 2 stond wel geregistreerd in het Marokkaanse kadaster, op naam van verzoeker. Uit nader onderzoek in 2020 is gebleken dat verzoeker sinds 10 november 2020 geen eigenaar meer is van woning 2. Het hiernavolgende gaat nog slechts over woning 1.
2.2.
In 2015 is uit onderzoek gebleken dat verzoeker bij het belastingkantoor (perception) van de gemeente Guercif staat geregistreerd met belastingnummer [nummer] en dat hij voor woning 1 onroerende zaakbelasting (gemeentelijke belastingen) heeft afgedragen in de periode van 2006 tot en met 2015. Uit stukken die verzoeker in 2020 heeft overgelegd blijkt echter dat zijn dochter vanaf 2008 eveneens gemeentelijke belastingen heeft betaald voor een woning op hetzelfde adres. De SVB wil daarom weten of verzoeker nog eigenaar is van woning 1.
2.3.
Verzoeker heeft sinds de intrekking van de AIO-aanvulling meerdere aanvragen [1] voor een AIO-aanvulling gedaan. De SVB heeft deze aanvragen afgewezen, dan wel niet in behandeling genomen, vanwege het ontbreken van voldoende informatie over verzoekers vermogenssituatie. De SVB heeft verzoeker daarbij meerdere malen gevraagd om de volgende, volgens de SVB relevante, stukken over te leggen:
  • Een certificaat uit de perception van Guercif, waaruit blijkt dat betrokkene tussen 2014 en 2020 niet onderworpen was aan de gemeentelijke belastingen (THSC) onder het registratienummer [nummer].
  • Een administratieve verklaring van de lokale autoriteiten (de Caid) in Marokko, waar het adres [adres 1], onder valt, en waarin de Caid bevestigen dat verzoeker geen enkel onroerend goed bezit en geen nalatenschap heeft aan het adres [adres 1].
3. In het kader van de onderhavige aanvraag om een AIO-aanvulling heeft de SVB verzoeker nogmaals in de gelegenheid gesteld de hiervoor genoemde stukken te overleggen en hem meerdere malen uitstel hiervoor verleend. Verzoeker heeft op 29 oktober 2024 en 1 september 2025 een aantal stukken overgelegd. Deze zijn door de SVB ter verificatie doorgestuurd aan het Attaché in Marokko. Naar aanleiding daarvan heeft de SVB besloten dat verzoeker ook dient aan te geven wie de eigenaar is van de woning op het (nieuw opgekomen) adres [adres 3].
Waar gaat deze zaak over?
4. De SVB heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker volgens het SVB onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op een AIO-aanvulling te kunnen vaststellen. De overgelegde bewijsstukken bevatten (nog steeds) niet de informatie waar de SVB al meerdere keren om heeft verzocht. Deze bewijsstukken hebben geen toegevoegde waarde, omdat ze niet aantonen dat verzoeker in Marokko geen onroerend goed bezit. Verzoeker heeft inmiddels voldoende tijd gekregen om de gevraagde informatie te regelen en aan de SVB toe te sturen. In de brieven die verzoeker van de SVB heeft ontvangen is duidelijk vermeld bij welke instantie hij moet zijn om de gevraagde documenten te verkrijgen.
5. Verzoeker is het hier niet mee eens. Met zijn verzoek wil verzoeker bereiken dat hem weer een AIO-aanvulling wordt toegekend, tot zes weken nadat op zijn bezwaar is beslist. Daartoe stelt verzoeker dat hij alle informatie heeft overgelegd waarover hij redelijkerwijs kon beschikken. De overgelegde informatie zou voor de SVB volgende moeten zijn om het recht op een AIO-aanvulling te kunnen vaststellen. Verzoeker is diverse keren naar Marokko afgereisd om deze informatie te verzamelen. Uit het stuk dat verzoeker op 12 november 2025 in bezwaar nog heeft overgelegd blijkt dat zijn dochter de gemeentelijke belastingen betaald voor het adres van woning 1. Verzoeker heeft de Marokkaanse autoriteiten meerdere malen verzocht om een verklaring van de perception van Guerif. Verzoeker heeft inmiddels meerdere verklaringen ontvangen en overgelegd, maar de SVB heeft deze tot op heden niet afdoende bevonden. Verzoeker vermoedt dat de door de SVB gewenste verklaringen ofwel niet bestaan, of de autoriteiten willen deze niet afgeven. Verzoeker heeft hierdoor het gevoel dat hij bij de SVB tegen een muur oploopt. Verzoeker heeft de SVB aangeboden om een machtiging te ondertekenen, zodat zij zelf onderzoek kunnen doen in Marokko om de gevraagde verklaringen te bemachtigen. Verzoeker is eventueel ook bereid om samen met de SVB naar Marokko te gaan. De SVB heeft dit alles echter geweigerd.
Spoedeisend belang
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningen-rechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zonder de AIO-aanvulling niet in staat is om zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. Er is sprake van problematische schulden. Het bestreden besluit heeft mogelijk ook tot gevolg dat verzoeker niet zal kunnen starten met een schuldsaneringstraject (waardoor hij het risico loopt uit zijn woning te worden gezet). De voorzieningenrechter ziet hierin, anders dan de SVB, voldoende redenen om een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoekt toe
7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
8. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand, in dit geval een AIO-aanvulling. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. [2]
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de nodige moeite heeft gedaan om met bewijsstukken te komen voor zijn stelling dat hij in Marokko geen onroerend goed (meer) bezit. Verzoeker heeft ter onderbouwing hiervan de volgende stukken en verklaringen overgelegd.
9.1.
Op
29 oktober 2024heeft verzoeker de volgende stukken overgelegd:
  • Certificaat van niet-registratie van het kadaster van Guercif, van 18 september 2024 (met vertaling in het Frans), waarin staat dat verzoeker niet is ingeschreven in het kadastrale register als eigenaar van een geregistreerd onroerend goed binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van deze dienst.
  • Een (gelegaliseerde) verklaring op erewoord van 10 oktober 2024, van verzoeker, waarin hij verklaart geen onroerend goed of zakelijke rechten op onroerend goed te bezitten die onderworpen zijn aan de woonbelastingen en gemeentelijke dienstbelastingen binnen het grondgebied van Marokko, sinds 2014 tot op heden.
  • Een gelijkluidende verklaring op erewoord van 16 oktober 2024.
  • Een verklaring van niet-heffing van de belasting op gemeentelijke diensten van 11 september 2024, door de belastingdienst financiële zaken van Taourirt, waarin wordt verklaard dat verzoeker, voor zover bekend, voor het jaar 2024 geen onroerend goed of zakelijke rechten op onroerend goed bezit die onderworpen zijn aan de woonbelastingen en de belastingen op gemeentelijke diensten binnen het grondgebied van Marokko.
  • Een administratieve woonplaatsverklaring (datum onleesbaar), waarin de Caid verklaart, op basis van de attestatie van de Mokadem van 16 december 2024, dat verzoeker tijdens zijn verblijf in Marokko op het volgende adres verblijft: Quartier (Hay) Nougd, Guercif.
9.2.
Op
1 september 2025heeft verzoeker de volgende stukken overgelegd:
- Certificaat van niet-registratie van het kadaster van Guercif, van 11 augustus 2025 (met vertaling in het Frans), waarin staat dat verzoeker niet geregistreerd staat als eigenaar van een onroerend goed dat niet geregistreerd is binnen het werkgebied van deze dienst. Dit certificaat is afgegeven naar aanleiding van een ‘verklaring op erewoord’ van verzoeker van 11 augustus 2025.
- Verklaring van niet-belastingplicht voor de woonbelasting en de belasting op gemeentediensten, met betrekking tot verzoeker en het adres [adres 3], van 11 augustus 2025. Afgegeven door de algemene directie belastingen. Hierin wordt verklaard dat betrokkene niet belastingplichtig is voor wat betreft de woonbelasting en de belasting op gemeentediensten binnen het grondgebied van Marokko.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de SVB onvoldoende concreet heeft gemotiveerd waarom de wel overgelegde bewijsstukken niet voldoende zijn, of waarom aan de hand van deze stukken het recht op een AIO-aanvulling niet is vast te stellen. De stukken die verzoeker heeft overgelegd vertonen op relevante onderdelen een grote overlap met de informatie die de SVB van verzoeker verlangt. Volgens het certificaat van niet-registratie van het kadaster van Guercif, van 18 september 2024 staat verzoeker bij het kadaster niet geregistreerd als eigenaar van een
geregistreerdonroerend goed binnen het werkgebied van deze dienst. Vervolgens blijkt uit het certificaat van niet-registratie van hetzelfde kadaster, van 11 augustus 2025, dat verzoeker bij het kadaster evenmin geregistreerd staat als eigenaar van een
niet-geregistreerdonroerend goed binnen het werkgebied van deze dienst. Volgens de verklaring van niet-heffing van de belasting op gemeentelijke diensten van de belastingdienst financiële zaken van Taourirt, van 11 september 2024, bezat verzoeker voor zover bekend in 2024 geen (zakelijke rechten op) onroerend goed die onderworpen zijn aan de woonbelastingen en de belastingen op gemeentelijke diensten binnen het grondgebied van Marokko. Verder heeft verzoeker in bezwaar nog een verklaring overgelegd van de perception van Guercif, waaruit kan worden afgeleid dat de dochter van verzoeker in de periode van 1998 tot 2024 jaarlijks (eind maart en éénmalig eind april) gemeentelijke belastingen betaalde voor een woning op het adres van woning 1.
Met de overgelegde bewijsstukken staat weliswaar niet onomstotelijk vast dat verzoeker in het geheel geen onroerend goed (meer) bezit in Marokko, maar dat neemt niet weg dat de genoemde stukken, zeker in onderlinge samenhang gelezen, wel een begin van bewijs zijn voor die stelling. De voorzieningenrechter kan de SVB al daarom niet volgen in het standpunt dat aan deze stukken geen toegevoegde waarde kan worden toegekend.
11. De SVB zal daarom beter moeten motiveren waarom zij vindt dat de bewijsstukken die verzoeker heeft overgelegd niet toereikend zijn om het recht op een AIO-aanvulling (per datum van de aanvraag) te kunnen vaststellen. Maar ook zal de SVB op basis van de overgelegde informatie moeten bekijken of het recht wellicht toch nog kan worden vastgesteld. De SVB zal zich daarbij ook moeten afvragen in hoeverre de gevraagde informatie nog langer van verzoeker kan worden verlangd en of alle verzochte informatie – zoals over het al dan niet onderworpen zijn aan de gemeentelijke belastingen (THSC) tussen de jaren 2014 en 2020 – nog altijd relevant is voor de vaststelling van een recht op de AIO-aanvulling. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoeker sinds de intrekking van de AIO-aanvulling in ieder geval zeven nieuwe aanvragen heeft gedaan, zich aanzienlijke moeite lijkt te getroosten om de verzochte stukken daadwerkelijk aan te leveren en bereid lijkt alle medewerking aan de SVB te verlenen. Ook heeft verzoeker al meerdere keren getracht de afwijzing in bezwaar, beroep en/of met een verzoek om een voorlopige voorziening aan te vechten. Partijen bevinden zich dus al vele jaren in een impasse waarbij de SVB steeds om exact dezelfde stukken verzoekt en verzoeker steeds aangeeft niet exact die stukken te kunnen overleggen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 20 november 2025 is geschorst en dat verzoeker voorschotten worden toegekend tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de SVB het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De SVB moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het besluit van 20 november 2025 en bepaalt dat verzoeker voorschotten worden toegekend tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op 20 januari 2014, 24 september 2014, 27 december 2016, 19 oktober 2020, 1 december 2021, 22 juni 2022 en 11 oktober 2023.
2.Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14-01-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:194.