ECLI:NL:RBROT:2025:15218

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
10/239372-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen met rechtmatige doorzoeking en informed consent

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen, te weten 8,5 kilo amfetamine en 1,8 kilo methamfetamine. De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking van de kelderbox, waar de verdovende middelen werden aangetroffen, rechtmatig was, omdat de verdachte informed consent had gegeven. De verdachte had de politie toestemming verleend om de kelderbox te doorzoeken, nadat hij was geïnformeerd over het doel van het onderzoek. De rechtbank concludeerde dat de verdachte opzettelijk de verdovende middelen aanwezig had, omdat hij de tas met drugs in de kelderbox had bewaard en zich niet had vergewist van de inhoud ervan. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 381 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uren. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn niet-justitiële verleden en zijn bereidheid om mee te werken aan reclassering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/239372-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ( [postcode] ) te [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. S. Aarts, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Groot heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
Bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk 8.500 gram amfetamine en 179,5 gram methamfetamine aanwezig heeft gehad. De doorzoeking in de kelderbox was rechtmatig. De politie is met een machtiging binnengetreden naar aanleiding van een zeer concrete TCI-melding en de verdachte heeft toestemming gegeven voor het doorzoeken van de kelderbox. Het is geen wettelijk vereiste dat de verdachte schriftelijk toestemming moet geven. De verdachte wist waarvoor de politie kwam en heeft tegen hen gezegd dat ze in de kelderbox moesten zijn. Er was derhalve sprake van ‘
informed consent’. De in de kelderbox aangetroffen tas met verdovende middelen kan daarom als bewijsmiddel dienen.
De verdachte heeft ook opzet gehad op de aanwezigheid van de verdovende middelen. Hij heeft namelijk tegen de verbalisant verklaard dat de tas in de kelderbox lag. In de kelderbox werd vervolgens een tas met verdovende middelen aangetroffen. De verdachte heeft bekend dat hij de tas onder druk in bewaring heeft genomen en de tas bevond zich in zijn machtssfeer. Het alternatieve scenario, dat de verdachte niet wist wat er in de tas zat, is niet aannemelijk geworden.
4.1.2.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het primaire standpunt is dat er sprake is van twee onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) die tot bewijsuitsluiting moeten leiden. Op grond van de TCI-melding alleen was er namelijk geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Daarnaast heeft de officier van justitie geen schriftelijke machtiging voor de doorzoeking van de kelderbox afgegeven. Hierdoor is de doorzoeking onrechtmatig geweest.
Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de verdovende middelen. De verdachte had namelijk geen wetenschap van de inhoud van de tas.
4.1.3.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtmatigheid van de doorzoeking
Het is de politie toegestaan om een onderzoekshandeling te verrichten (in dit geval: de kelderbox te doorzoeken) wanneer daarvoor vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming is verleend door de betrokkene. De betrokkene moet voldoende geïnformeerd zijn en voor hem moet duidelijk zijn voor welke onderzoekshandeling toestemming wordt verleend. Dat sprake is van toestemming kan blijken uit de verklaringen en/of de gedragingen van de betrokkene.
Uit het (ambtsedig) proces-verbaal van de politie over de doorzoeking blijkt het volgende. Op 10 september 2025 wordt middels een machtiging de woning van de verdachte aan de [adres] te Rotterdam binnengetreden naar aanleiding van een TCI-melding. De verbalisant deelt aan de verdachte mee dat de politie het vermoeden heeft dat er verdovende middelen in de woning liggen en dat de verdachte niet tot antwoorden is verplicht. De verdachte verklaart daarop dat er niets in de woning ligt, maar dat de verbalisanten in de kelderbox moeten zijn. De verdachte legt vervolgens uit met welke sleutel de kelderbox kan worden betreden. Wanneer de verbalisanten de kelderbox betreden, treffen zij in het zicht een tas aan. Zij kunnen de inhoud van de tas niet zien. Als de verbalisanten de verdachte vervolgens vraagt of hij toestemming geeft om de kelderbox te doorzoeken, antwoordt de verdachte dat hij wel mee zal lopen en de tas zal pakken. De verbalisant vraagt hem vervolgens of hij een schriftelijke toestemmingsverklaring wil tekenen voor de doorzoeking, waarop de verdachte aangeeft dat ze de kelderbox mogen doorzoeken, maar de woning niet. Hij verklaart nergens voor te willen tekenen.
Anders dan de verdediging, is naar het oordeel van de rechtbank de TCI-melding – inhoudende dat de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid XTC-pillen zou bewaren in zijn woning of de daarbij behorende berging –, voldoende concreet en actueel om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen. De politie heeft adequaat geacteerd op deze melding door binnen afzienbare tijd de woning van de verdachte te betreden. Ook hebben de verbalisanten duidelijk uiteengezet dat de verdachte hen, blijkens zijn verklaringen en zijn gedragingen, vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming heeft verleend om de kelderbox te doorzoeken. Zo heeft de verdachte tegen de verbalisant, nadat hem was verteld waarvoor zij kwamen en hem de cautie is gegeven, direct gezegd dat de tas in de kelderbox lag. Bovendien heeft de verdachte de verbalisanten uitgelegd met welke sleutel de kelderbox kon worden betreden. De verdachte was derhalve voldoende geïnformeerd en het was hem duidelijk voor welke onderzoekshandeling hij toestemming verleende. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de doorzoeking in de kelderbox op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Het verweer van de verdediging dat strekt tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.
Het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de verdachte opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de verdachte wetenschap had van de aangetroffen verdovende middelen en daarover beschikkingsmacht had.
Vaststaat dat in de kelderbox behorende bij de woning van de verdachte in een tas een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat het om 8.500 gram amfetamine en 179,5 gram methamfetamine gaat. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas onder druk in de bewaring heeft genomen voor iemand van wie hij eerder geld had geleend. Hij heeft verklaard geen wetenschap te hebben gehad van de inhoud van de tas en hij heeft geen nadere verklaring afgelegd over de persoon voor wie hij de tas in bewaring heeft genomen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, door een tas in een kelderbox in bewaring te houden en zich niet te vergewissen van de inhoud van de tas, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hetgeen hij aanwezig had verdovende middelen betrof. De verdachte wordt, behoudens contra-indicaties, verondersteld bekend te zijn met de aanwezigheid van de in zijn woning en behorende kelderbox aanwezige goederen. Van een contra-indicatie is geen sprake. Integendeel, de verdachte heeft de politie, nadat zij het vermoeden uitspraken dat er verdovende middelen in de woning of berging zouden liggen, direct gewezen op de aanwezigheid en de vindplaats van de tas.
De verdachte had ook beschikkingsmacht over de verdovende middelen. Hij was in het bezit van de sleutel van de kelderbox en de tas lag in het zicht toen de politie de kelderbox betrad. Gezien de verklaring van de verdachte en de plek waar de verdovende middelen zijn aangetroffen, concludeert de rechtbank dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat de verdachte opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de verdovende middelen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
4.1.4.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk 8.500 gram amfetamine en 179,5 gram methamfetamine aanwezig heeft gehad.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op
of omstreeks10 september 2025 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer8500 gram,
in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA en
/of ongeveer179,5 gram,
in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende methamfetamine,
zijnde MDMA en/of methamfetamine(telkens)
(een)middel
(en
)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straffen

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft in zijn kelderbox een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen (te weten 8,5 kilo amfetamine en 1,8 kilo methamfetamine) opzettelijk aanwezig gehad. Het behoeft geen betoog dat het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid synthetische drugs – die een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen – buitengewoon kwalijk is. Een groot deel van de criminaliteit vindt direct of indirect zijn oorsprong in het gebruik van dergelijke middelen. Hiertegen dient streng te worden opgetreden.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
12 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd
24 september 2025 en 12 december 2025. Deze houden onder meer het volgende in.
Door de (deels) ontkennende houding van de verdachte kan geen inschatting gemaakt worden van het risico op recidive en het risico op geweld. Het risico op onttrekking aan voorwaarden schatten wij in als laag. De verdachte werkt goed mee aan zijn schorsingstoezicht en heeft aangegeven dat hij, in het geval van een deels voorwaardelijke veroordeling, bereid is mee te werken met de reclassering. Vanuit de OXREC komt een laag risico op recidive en een laag risico op geweld naar voren. Mogelijke risico’s zijn gelegen in de financiële situatie van de verdachte en het ontbreken van een dagbesteding in de vorm van werk. Er is sprake van schulden en een financieel motief is niet uit te sluiten. Daarnaast heeft de werkgever van de verdachte zijn contract ontbonden na zijn aanhouding voor onderhavig feit. Ook dreigt mogelijke instabiliteit op het gebied van huisvesting.
De verdachte heeft op andere gebieden zijn leven op orde. Hij heeft steunende familiecontacten. Mogelijk beschermend is het feit dat de verdachte hulp gezocht heeft bij de gemeente voor zijn schulden, voornemens is zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan en goed meewerkt aan het schorsingstoezicht bij de reclassering.
Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.• Meldplicht bij reclassering (na afspraak)• Dagbesteding• Meewerken aan schuldhulpverlening
Gezien het feit dat de verdachte de kostwinnaar van het gezin is, zorgt een detentie ervoor dat de huur mogelijk niet meer betaald kan worden. Hierdoor zou dakloosheid voor zijn gezin, inclusief zijn zwangere partner, kunnen ontstaan.De verdachte is in staat een taakstraf uit te voeren.
De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten en op de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij bereid is zich aan de genoemde voorwaarden te houden.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de Landelijke Oriëntatiepunten Voor Straftoemeting (LOVS). De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Aannemelijk is dat de verdachte zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen. De verdachte heeft geen (relevante) justitiële voorgeschiedenis en heeft zijn leven goed op orde. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De rechtbank zal gelet hierop het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf beperken tot de tijd die door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zal een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf worden opgelegd. Omdat de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de voorwaarden verbinden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.In beslag genomen voorwerpen

Ten aanzien van de in beslag genomen telefoon (Nokia HMD TA-1691) die tijdens de aanhouding bij de verdachte is aangetroffen zal, zoals door de officier van justitie is gevorderd, een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10.Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
381 (driehonderdeenentachtig) dagen,
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
365 (driehonderdvijfenzestig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;
2. de veroordeelde zal zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur;
3. de veroordeelde zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van
afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de veroordeelde tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
beslist ten aanzien van de nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de veroordeelde van:
IBN nummer [beslagnummer] - telefoon - Nokia HMD (TA-1691);
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B.A. Slebus, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 10 september 2025 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 8500 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 179,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde MDMA en/of methamfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.