ECLI:NL:RBROT:2025:15195

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710656 / KG ZA 25-1175
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over notariële akte en de vraag of deze een executoriale titel oplevert

In deze zaak, die zich afspeelt voor de Rechtbank Rotterdam, betreft het een kort geding dat is aangespannen door twee eisers, [eiser 1] en [eiser 2], tegen [gedaagde]. De eisers zijn bestuurders van twee bedrijven die aandelen hebben overgedragen aan de gedaagde op basis van een notariële akte. De eisers vorderen onder andere de opheffing van door de gedaagde gelegde beslagen op hun eigendommen, alsook de schorsing van de executie van deze beslagen. De gedaagde heeft op zijn beurt beslag gelegd op de woning van [eiser 1] en zijn bankrekeningen, en stelt dat de eisers de voorwaarden van de akte hebben geschonden, wat hen aansprakelijk maakt voor een boete. Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat [eiser 2] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat er geen beslag op zijn naam is gelegd. De voorzieningenrechter heeft de zaak heropend om te beoordelen of de notariële akte een executoriale titel vormt, en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten hierover te verduidelijken. De uitspraak van de voorzieningenrechter is gedaan op 16 december 2025, waarbij de zaak is aangehouden voor verdere beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710656 / KG ZA 25-1175
Vonnis in kort geding van 16 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonend in Mijdrecht,
2.
[eiser 2],
wonend in Schilde (België),
eisende partijen,
advocaat: mr. S. Aartsen te Utrecht,
tegen
[gedaagde],
wonend in Capelle aan den IJssel,
gedaagde partij,
advocaten: mr. S.N.J. Putter en mr. F.W.J. Beunke te Den Haag.
Partijen worden hierna afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] genoemd.
[eiser 1] en [eiser 2] worden gezamenlijk aangeduid als [eisers]

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 november 2025, met 24 producties;
- de 15 producties van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling op 5 december 2025;
- de pleitnota van [eisers] ;
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] is bestuurder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [eiser 2] is bestuurder van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en een derde aandeelhouder hielden ieder 1/3 van de aandelen in [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). [bedrijf 3] heeft meerdere dochtermaatschappijen, waaronder [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ).
2.2.
Bij notariële akte van 5 mei 2023 (hierna: de Akte) hebben [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en de derde aandeelhouder hun aandelen in [bedrijf 3] overgedragen aan [gedaagde] .
In artikel 7 (met als titel ‘Aanvullende garanties’) van de Akte staat, voor zover van belang:
“ [eiser 1] en [eiser 2] garanderen [gedaagde] dat na te melden verklaringen juist en volledig zijn,
tenzij het tegendeel uitdrukkelijk blijkt uit de door [eiser 1] en [eiser 2] uiterlijk op vijftien mei tweeduizend drieëntwintig aan [gedaagde] te verstrekken schriftelijke verklaringen:
(…)
l. de jaarrekeningen van de Vennootschapvzr: [bedrijf 3] ]
over de boekjaren tweeduizend eenentwintig en tweeduizend twintig geven het in artikel 362, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vereiste inzicht voor het vermogen van de Vennootschap en dat van haar dochtermaatschappijen op de einddatum van die jaarrekeningen;
m. de Grootboekoverzichten betrekking hebbende op de Vennootschap en ieder van haar
dochtermaatschappijen over de boekjaren tweeduizend twintig, tweeduizend eenentwintig en tweeduizend tweeëntwintig en over het gedeelte van het boekjaar dat is aangevangen per een januari tweeduizend drieëntwintig eindigt per heden geven een volledig en juist inzicht van de inkomsten en uitgaven van de Vennootschap en dat van haar dochtermaatschappijen gedurende de respectieve verslagperioden;
n. uit de onder l respectievelijk m gemelde stukken volgt dat er geen andere verplichtingen en of claims ten laste van de Vennootschap en van haar dochtermaatschappijen bestaan, dan die welke uit de stukken blijken en dat gedurende die verslagperioden de Vennootschap en van haar dochtermaatschappijen zich op generlei wijze heeft verbonden voor schulden van derden;
(…)”
In artikel 8 van de Akte is bepaald dat, indien [eisers] één of meer van de in artikel 7 gemelde verklaringen niet accuraat, onjuist of onvolledig hebben gegarandeerd, zij ten gunste van [gedaagde] een boete verbeuren van € 58.702,56, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn.
2.3.
Vanaf 28 juli 2023 hebben partijen correspondentie met elkaar gevoerd over de vraag of [eisers] bepalingen uit de Akte hebben geschonden en of zij de overeengekomen boete hebben verbeurd.
2.4.
Op 7 september 2023 heeft [gedaagde] op basis van de Akte executoriaal beslag laten leggen op de woning van [eiser 1] , gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Bij brief van 14 september 2023 heeft [naam 2] , namens de hypotheekhouder [naam 1], aan [eiser 1] meegedeeld dat zij de verkoop van de woning overneemt van [gedaagde] .
2.5.
Op 14 september 2023 en op 11 september 2024 heeft [gedaagde] op basis van de Akte ten laste van [eiser 1] executoriaal beslag gelegd op zijn bankrekening(en) bij ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO).
2.6.
Bij brief van 23 juli 2025 heeft [naam 2] aan [eiser 1] te kennen gegeven het voornemen te hebben om over te gaan op de executie van de woning. In september 2025 heeft [naam 2] opdracht gegeven aan een makelaar om de woning te taxeren.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. de door [gedaagde] op grond van de Akte gelegde beslagen op te heffen dan wel [gedaagde] te veroordelen om de onderhavige beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom;
II. de aangevangen executie op grond van de Akte door [gedaagde] te schorsen en geschorst te houden, althans totdat het geschil in een eventuele bodemprocedure is beslist, op straffe van een dwangsom;
subsidiair
III. het door [gedaagde] gelegde onderhavige beslag op grond van de Akte op de woning van [eiser 1] (het registergoed gelegen aan het [adres] ) op te heffen dan wel [gedaagde] te veroordelen om voornoemd beslag op te heffen, op straffe van een dwangsom;
IV. de aangevangen executie van het beslag op de woning van [eiser 1] te schorsen en geschorst te houden, althans te schorsen voor bepaalde tijd, op straffe van een dwangsom;
primair en subsidiair
V. [gedaagde] te veroordelen tot het voldoen van een voorschot op de door [eisers] geleden schade als gevolg van de onterecht gebleken beslagen van € 2.436,40 aan beslagkosten;
meer subsidiair
VI. een voorziening te treffen die de voorzieningenrechter redelijk acht, indien het gevorderde onder I t/m IV al dan niet gedeeltelijk niet voor toewijzing in aanmerking komt;
VII. indien de voorzieningenrechter acht dat de procedure zich niet leent voor behandeling in kort geding de procedure doorverwijst naar de thans bevoegde rechtbank onder bepaling van de dag waarop de procedure op de rol moet komen;
zowel primair, subsidiair als meer subsidiair
VIII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 2] in zijn vorderingen en tot afwijzing van de vorderingen van [eisers]

4.De beoordeling

[eiser 2] is niet-ontvankelijk
4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] geen executoriaal beslag heeft laten leggen ten laste van [eiser 2] . [eiser 2] heeft dan ook geen belang bij toewijzing van de vorderingen tot opheffing van de beslagen, schorsing van de executie en het betalen van schadevergoeding als gevolg van de beslagen.
4.2.
Dat leidt op grond van artikel 3:303 BW tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 2] bij de ingestelde vorderingen.
De vorderingen van [eiser 1]
4.3.
In r.o. 2.2. is geciteerd uit een notariële akte, op grond waarvan [gedaagde] de executie ter hand heeft genomen.
De Hoge Raad heeft in een beschikking van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1807, het volgende overwogen. Een executoriale titel die niet in een rechterlijke uitspraak maar in een ander stuk is belichaamd, geeft de schuldeiser de bevoegdheid om zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst de in die titel vermelde aanspraak met dwangmiddelen ten uitvoer te leggen op het vermogen van zijn schuldenaar. Bij die dwangmiddelen gaat het in de eerste plaats om de bevoegdheden die de deurwaarder bij de tenuitvoerlegging van een executoriale titel heeft, welke bevoegdheden hij ook tegen de wil van de geëxecuteerde kan uitoefenen, indien nodig met hulp en bijstand van de sterke arm. Gelet op het verstrekkende en ingrijpende karakter van deze bevoegdheden valt het bestaan daarvan alleen te aanvaarden indien de vordering met voldoende bepaaldheid in het stuk is omschreven. Daarvan is geen sprake als het ontstaan van de vordering afhankelijk is van bij de opstelling van het stuk onzekere, toekomstige gebeurtenissen, zoals, in dit geval (
toevoeging voorzieningenrechter), de schending van bepaalde garanties waaraan een contractuele boete is verbonden. Het stuk is voor die vordering dan niet een executoriale titel.
4.4.
De in 4.3. bedoelde beschikking is niet besproken tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding. De beschikking doet de vraag rijzen of in dit geval wel of niet sprake is van executoriale titel en is reden om de zaak te heropenen. Partijen mogen zich daarover, en over de gevolgen van hun vorderingen en verweer, gelijktijdig, uiterlijk 19 december om 17.00 uur bij akte uitlaten, waarna vonnis volgt op 31 december 2025
4.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
heropent de zaak;
5.2.
stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk vrijdag 19 december 2025 om 17.00 uur een akte te nemen als bedoeld in r.o. 4.4.;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
2091 / 2009