ECLI:NL:RBROT:2025:15184

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
HA ZA 25-474 C/10/701084
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing incidentele vordering tot tussenkomst in geschil over tijdbevrachtingsovereenkomst en lading gasolie

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een incident waarbij Verde Marine Energy B.V. verzocht om tussenkomst in een geschil tussen Anaco B.V. en Benelux Barging B.V. Anaco, als eiseres in de hoofdzaak, had een tijdbevrachtingsovereenkomst gesloten met Benelux Barging voor het vervoer van minerale oliën met het binnenschip MTS Tamanaco. Verde Marine, die eigenaar is van de lading gasolie aan boord van het schip, vorderde tussenkomst omdat zij vreesde dat haar belangen niet voldoende werden behartigd in de hoofdzaak. De rechtbank oordeelde dat Verde Marine een voldoende belang had bij de tussenkomst, aangezien de uitkomst van de hoofdzaak directe gevolgen kon hebben voor haar positie als eigenaar van de lading. De rechtbank wees de incidentele vordering tot tussenkomst toe en veroordeelde Anaco in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak zal op 4 februari 2026 weer op de rol komen voor het nemen van de conclusie van eis in de tussenkomst door Verde Marine.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rolnummer: C/10/701084 / HA ZA 25-474
Vonnis in incident van 24 december 2025
in de zaak van
ANACO B.V.,
gevestigd te Antwerpen (België),
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. R.L. Latten,
tegen
BENELUX BARGING B.V.,
gevestigd te Zwijndrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. R.A.D. Blaauw,
en
VERDE MARINE ENERGY B .V.,
gevestigd te Rhoon,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. I.B. Jansse
Partijen zullen hierna Anaco, Benelux Barging en Verde Marine genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 31 mei 2025, met producties E1 tot en met E10;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie van Benelux Barging, met producties 1 tot en met 16;
  • de incidentele conclusie tot tussenkomst althans voeging in een aanhangig geding ex art. 217 Rv van Verde Marine, met producties 1 en 2;
  • de akte tot referte in het incident tot voeging van Benelux Barging;
  • de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst althans voeging van Anaco.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten in het incident

De rechtbank neemt in dit incident de volgende feiten tot uitgangspunt:
2.1.
Anaco is een bevrachtingsagent van binnenschepen voor de tankvaart. Anaco heeft een ‘Time Charter Agreement’ (hierna: de tijdbevrachtingsovereenkomst) gesloten met Benelux Barging, op grond waarvan Anaco het binnenvaarttankschip MTS Tamanaco (hierna: het schip) – waarvan Anaco rompbevrachter was - aan Benelux Barging in tijdbevrachting heeft gegeven voor het vervoer van minerale oliën over de binnenwateren.
2.2.
De tijdbevrachtingsovereenkomst is ingegaan op 15 mei 2024 en had een looptijd van een jaar – tot en met 14 mei 2025.
2.3.
Artikel 1 van de tijdbevrachtingsovereenkomst luidt (voor zover relevant) als volgt:
“The Carrier accepts from the COMPANY the transport by barge of mineral oils (Fuel oil products, gasoline products, petroleum products, bio-fuel components, BOB, middle destilates including FAME, hereinafter mentioned as "Products") by river, canals and/or estuaries, on the terms and conditions stated herein ("The Transport").The company will only time-charter/sub lease the time chartered barge MTS TAMANACO to Verde Marine Energy BV Netherlands and there onwards Verde Marine Energy BV Netherlands (…) The transportation activities will be executed in the ARA region (Amsterdam, Rotterdam, Antwerp region) only. (…) The time-chartered barge is for use of the company and Verde Marine Energy BV for 24hours a day and 7 days a week.”
2.4.
Benelux Barging heeft het schip in onderbevrachting gegeven aan Verde Marine. Benelux Barging en Verde Marine hebben daartoe met elkaar een separate (onder)bevrachtingsovereenkomst gesloten. Verde Marine heeft het schip gedurende enige periode ingezet voor bunkerleveranties aan schepen.
2.5.
Anaco heeft de tijdbevrachtingsovereenkomst met Benelux Barging op 20 maart 2025 opgezegd vanwege de opzegging van de rompbevrachting door de eigenaar van het schip.
2.6.
Anaco heeft het schip op 14 mei 2025 weer onder zich genomen en gehouden. Op dat moment bevond zich aan boord van het schip nog een lading UN 1202 low sulphur gasolie van ca. 638.756 mt.
2.7.
Anaco heeft op 26 mei 2025 (voor zover relevant) de volgende kennisgeving aan Benelux Barging gezonden:
“Wij verwijzen naar de TIME CHARTER CONTRACT dd. 17 mei 2024.Na de beëindiging van deze overeenkomst bent u aan ANACO BV nog de volgende bedragen verschuldigd tot en met 26/05/2025: (…)
A beëindiging bleef er nog 637,588 mt lading GASOIL UN1202 aan boord. Wij delen u mee dat ANACO bij toepassing van artikelen 1, 47-58 en 73-76 van de Pandwet zal overgaan tot uitwinning van haar pand op deze lading.”

3.Het geschil in de hoofdzaak

in conventie

3.1.
Anaco heeft de rechtbank gevorderd om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • Benelux Barging te veroordelen tot betaling van € 373.478,36 aan Anaco, te vermeerderen met p.m. posten en met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW met ingang van 15 mei 2025 althans de dag van dagvaarding tot de datum van algehele voldoening, en te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.500,- of een door de rechtbank te bepalen bedrag;
  • Benelux Barging te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
Anaco legt (kort samengevat) aan haar vordering tot betaling ten grondslag dat:
  • Benelux Barging haar verplichting tot betaling van
  • gedurende de looptijd van de tijdbevrachtingsovereenkomst heeft Benelux Barging opdrachten verstrekt die buiten de scope van de tijdbevrachtingsovereenkomst, ARA regio (clausule), vielen. Hiervoor heeft Anaco twee facturen gestuurd, die onbetaald zijn gebleven (facturen FM250040 en FM250044);
  • Benelux Barging in verzuim was ten aanzien van de terugleveringsverplichting van het schip aan Anaco op 14 mei 2025;
  • Anaco recht heeft op vergoeding van wachtkosten van €205,- per uur, omdat zich nog een restlading bunkerolie (UN1202) aan boord van het schip bevond na het eindigen van de tijdbevrachtingsovereenkomst;
  • Benelux Barging de (nog nader te begroten) kosten van het legen en reinigen van de ladingtanks moet betalen.
3.3.
Benelux Barging heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Anaco althans tot niet-ontvankelijkverklaring daarvan, met veroordeling van Anaco in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien voldoening daarvan niet binnen 14 dagen plaatsvindt.
in reconventie
3.4.
Benelux Barging heeft de rechtbank gevorderd om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Anaco te veroordelen om aan Benelux Barging een bedrag van € 2.665,- te betalen, zijnde de periode op 14 januari 2025 dat het schip niet ter beschikking heeft gestaan van Benelux Barging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot aan de datum van volledige voldoening;
II. te verklaren voor recht dat Anaco in de nakoming van de met Benelux Barging gesloten bevrachtingsovereenkomst toerekenbaar tekort is geschoten door:
a. te weigeren het schip leveringen te laten uitvoeren in Vlissingen;
b. een beroep te doen op een retentierecht op een op 14 mei 2025 aan boord van het schip bevindende partij UN1202 low sulphur gasoil van ca. 638.756 mton;
c. door op 14 mei 2025 de operatie van het schip onder de bevrachtingsovereenkomst op te schorten c.q. te beëindigen en de uitlevering van de aan boord bevindende lading te weigeren;
en Anaco te veroordelen tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. Anaco te veroordelen om de ten laste van Benelux Barging gelegde beslagen binnen een week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op te hebben op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat zij daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft (waarbij een gedeelte van een dag als een gehele dag heeft te gelden) en Anaco te veroordelen tot vergoeding van de door Benelux Barging als gevolg van deze beslagen geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
IV. Anaco te veroordelen om binnen vierentwintig uur na betekening van het vonnis de aan Verde Marine toebehorende lading van UN1202
low sulphur gasoilvan ca. 638.756 mton vrij te geven aan Verde Marine op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft (waarbij een gedeelte van een dag als een gehele dag heeft te gelden;
V. Anaco te veroordelen in de proces-en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien voldoening daarvan niet binnen 14 dagen plaatsvindt.
3.5.
Benelux Barging legt (kort samengevat) het volgende ten grondslag aan haar reconventionele vorderingen. Reeds kort na aanvang van de tijdbevrachtingsovereenkomst ontstond er frictie over de werkwijze, uitstaande declaraties en te declareren bedragen. Die hadden niet alleen betrekking op het schip (de Tamanaco), maar ook op het door Benelux Barging gehuurde schip Ocamo van de onderneming Ocamo B.V.. Tussen partijen is ook een verschil van mening ontstaan over de leveranties aan schepen die in Puurs lagen (aan de Schelde dicht tegen Antwerpen aan) en Vlissingen. Deze leveringen vielen volgens Anaco buiten het bereik van artikel 1 van de tijdbevrachtingsovereenkomst. Verder heeft Anaco gedurende de looptijd van de tijdbevrachtingsovereenkomst niet steeds voldaan aan haar verplichting om te garanderen dat het schip vierentwintig uur per dag zeven dagen per week ter beschikking stond van Benelux Barging/Verde Marine. Daarnaast voert Benelux Barging aan dat Anaco op onrechtmatige wijze pretendeert een retentierecht en/of pandrecht te hebben en uit te oefenen op de lading gasolie aan boord van het schip. Anaco was niet bevoegd om haar verplichting om het schip ter beschikking te stellen aan Benelux Barging op 14 mei 2025 op te schorten. Het stond Benelux Barging vrij op die dag nog de laatste bunkerleveranties te laten uitvoeren, omdat de tijdbevrachtingsovereenkomst zou eindigen op 14 mei 2025, middernacht van 14 op 15 mei 2025. Door het handelen van Anaco lijdt Benelux Barging schade, want zij wordt door Verde Marine aansprakelijk gehouden voor schade en Verde Marine heeft de (onder)bevachtingsovereenkomst met Benelux Barging opgezegd. Daarbij komt dat Benelux Barging verplicht is om de onrechtmatig teruggehouden bunkers terug te leveren aan Verde Marine.
3.6.
Anaco heeft nog geen conclusie van antwoord in reconventie ingediend.

4.Het geschil in het incident

4.1.
Verde Marine vordert dat de rechtbank haar toestaat om in de zaak met zaaknummer C/10/701084 (primair) tussen te komen, dan wel (subsidiair) zich te voegen in de hoofdzaak, kosten rechtens.
4.2.
Verde Marine stelt dat zij eigenaar is van de lading UN 1202 low sulphur gasolie van ca. 638.756 mt. aan boord van het schip. Zij sluit zich aan bij de feiten als is omschreven in de conclusie van antwoord van Benelux Barging. Verde Marine heeft de (onder)bevrachtingsovereenkomst met Benelux Barging opgezegd en haar aansprakelijk gesteld voor de geleden schade.
4.3.
Primair wenst Verde Marine in deze procedure tussen te komen om haar belangen te verdedigen en zelfstandig vorderingen in te stellen tegen Anaco die kort samengevat strekken tot vergoeding van schade en teruggave van de lading gasolie. Volgens Verde Marine kon Anaco geen geldig retentierecht uitoefenen op de lading gasolie, althans, is die uitoefening buitenproportioneel. Doordat Verde Marine niet over de achtergehouden lading kon beschikken heeft zij de op 14 mei 2025 geplande leveranties moeten annuleren. Daardoor heeft zij aanzienlijke vermogensschade geleden. Ook wenst Verde Marine bij wijze van voorlopige voorziening (artikel 223 Rv) te vorderen dat Anaco wordt bevolen mee te werken aan een onderzoek naar de achtergehouden lading, die intussen meermaals is overgepompt van verschillende ladingtanks waarvan niet bekend is wat er in die tanks eerder is vervoerd en of er in die tanks nog residuen in aanwezig waren. Verde Marine vreest dat er schade aan de lading gasolie is ontstaan of dat er sprake is van verlies van de lading. Als Verde Marine niet wordt toegestaan om tussen te komen zal zij een afzonderlijke procedure moeten starten tegen Anaco, met het risico op uiteenlopende en onverenigbare uitspraken. Verde Marine heeft een eigen belang bij het doen vaststellen van het onrechtmatige karakter van het handelen door Anaco. De uitspraak in de procedure tussen Benelux Barging en Anaco heeft gevolgen voor de positie van Verde Marine. Haar eigen belang bij tussenkomst bestaat er eveneens in dat zij dan zelfstandig stellingen kan innemen en weren kan voeren die door Benelux Barging niet (kunnen) worden ingenomen.
4.4.
Subsidiair wenst Verde Marine zich te voegen aan de zijde van Benelux Barging. Verde Marine heeft een belang bij voeging omdat zij eigenaar is van de lading van ca. 638.756 mt gasolie waarop Anaco een retentierecht uitoefent. Zij ondervindt hiervan nadelige gevolgen en zal hoogstwaarschijnlijk nadelige gevolgen ondervinden indien de
(reconventionele) vorderingen van Benelux Barging worden afgewezen. Een deel van
de reconventionele vorderingen van Benelux Barging ziet immers op de lading gasolie die aan Verde Marine toebehoort.
4.5.
Benelux Barging heeft zich bij akte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.6.
Anaco heeft verweer gevoerd tegen de incidentele vordering tot (primair) tussenkomst en (subsidiair) voeging van Verde Marine en heeft geconcludeerd tot afwijzing van haar incidentele vordering, met veroordeling van Verde Marine in de kosten van het incident. Op haar verweren zal hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling in het incident
5.1.
Artikel 217 Rv bepaalt dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen
aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen
tussenkomen.
5.2.
De vorderingen tot (primair) tussenkomst en (subsidiair) voeging zijn tijdig, bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen, ingesteld (artikel 218 Rv).
deze rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van vorderingen van Verde Marine
5.3.
Anaco voert als verweer dat Verde Marine haar vorderingen niet bij deze rechtbank, maar bij de rechtbank in Antwerpen moet instellen omdat Anaco in België is gevestigd. Zij wijst er ook op dat de uitoefening van het retentierecht plaatsvindt in België en dat op de uitoefening van het retentierecht door Anaco ook Belgisch recht van toepassing is (art. 10:163 BW). Verde Marine wil slechts vorderingen bij de Nederlandse bodemrechter instellen om Anaco te onttrekken aan de bevoegdheid van de Belgische bodemrechter op grond van de artikelen 4 en 7 van de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hierna: Herschikte EEX-Vo).
5.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is van vorderingen van Verde Marine tegen Anaco kennis te nemen op grond van artikel 8 lid 2 van de Herschikte EEX-Vo, nu de oorspronkelijke vordering van Anaco voor deze rechtbank aanhangig is gemaakt. Dat oordeel wordt hierna gemotiveerd.
5.5.
Artikel 8 van de Herschikte EEX-Vo luidt (voor zover relevant) als volgt:
“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
1.
indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;
2.
bij een vordering tot vrijwaring of bij een vordering tot voeging of tussenkomst: voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt, tenzij de vorderingen slechts zijn ingesteld om hem te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die bevoegd zou zijn in zijn zaak;”
5.6.
Artikel 8 geeft bijzondere bevoegdheidsgronden op basis waarvan een partij als Anaco kan worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat dan het gerecht van een lidstaat dat internationale bevoegdheid toekomt op basis van de hoofdregels van de artikelen 4 of 7 van de Herschikte EEX-Vo. Deze gronden geven Verde Marine de keuze om bij een alternatief forum vorderingen in te stellen tegen een andere partij. Die keuzevrijheid wordt begrensd door de laatste zinsnede van het tweede lid van artikel 8 Herschikte EEX-Vo.
5.7.
Het is aan Anaco om voldoende onderbouwd feiten te stellen waaruit blijkt dat Verde Marine haar vorderingen heeft ingesteld uitsluitend met de intentie om Anaco af te houden van de rechter in België. Dat heeft Anaco niet gedaan.
5.8.
Anaco wijst erop dat de vorderingen in de hoofdzaak tussen Benelux Barging en Anaco zijn gebaseerd op een contractuele rechtsverhouding (de tijdbevrachtingsovereenkomst) en Verde Marine buitencontractuele vorderingen wenst in te stellen en dat er geen verband is met de vorderingen van Benelux Barging en Anaco. Voor de toepassing van artikel 8, aanhef en lid 1 geldt als voorwaarde dat tussen de vorderingen die door dezelfde eiser tegen de verschillende verweerders worden ingesteld een zo nauwe band bestaat op het tijdstip waarop zij worden ingesteld, maar dat is geen in artikel 8 lid 2 Herschikte EEX-Vo mee te wegen vereiste voor de tussenkomst of voeging. Het door Anaco bepleite ontbreken van een verband met de vorderingen van Benelux Barging, kan in dit kader in ieder geval niet tot de conclusie leiden dat Verde Marine haar keuzemogelijkheid op grond van artikel 8 lid 2 Herschikte EEX-Vo misbruikt.
Dat Verde Marine kennelijk eerder vorderingen in verband met de teruggehouden lading gasolie aanhangig heeft gemaakt bij de Belgische beslagrechter en dat de Nederlandse bodemrechter in voorkomend geval de vorderingen van Verde Marine wellicht zal moeten beoordelen aan de hand van Belgisch recht, doen op zichzelf ook geen afbreuk aan de bevoegdheid van deze rechtbank op grond van artikel 8 lid 2 Herschikte EEX-Vo.
5.9.
Het onbevoegdheidsverweer van Anaco slaagt niet.
de incidentele vordering tot tussenkomst wordt toegewezen
5.10.
Anaco heeft betoogd dat Verde Marine geen belang heeft bij tussenkomst of voeging, dat Verde Marine eenvoudig haar (schade)vorderingen kan instellen jegens Benelux Barging en dat Verde Marine geen nadeel zal ondervinden als de vorderingen van Anaco worden toegewezen of als de reconventionele vorderingen van Benelux Barging worden toegewezen.
5.11.
De rechtbank overweegt als volgt. Een partij kan vorderen te mogen tussenkomen in een aanhangig geding indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (één van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld (zie HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768). Onder nadelige gevolgen wordt in dit verband verstaan: de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe – dan wel afwijzing van de in de procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van de in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de tussenkomst vordert.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat Verde Marine er belang bij heeft om tussen te komen in het geschil tussen Anaco en Benelux Barging, omdat zij stelt een zelfstandige vordering te hebben tegen Anaco met betrekking tot één van de hoofdonderwerpen in de hoofdzaak, te weten de lading gasolie aan boord van het schip toen Anaco het schip op 14 mei 2025 heeft teruggenomen. De vorderingen van Benelux Barging zien ook op de vrijgave van die lading gasolie. Verde Marine heeft als derde die meent eigenaar te zijn van de lading gasolie die Anaco onder zich houdt, een belang bij tussenkomst in de zin van voornoemde maatstaf. Het is evident dat een oordeel over de lading gasolie in de hoofdzaak gevolgen kan hebben voor de feitelijke of juridische positie van Verde Marine. Het instellen van vorderingen tegen Anaco door Verde Marine komt de proceseconomie ten goede en voorkomt dat er tegenstrijdige beslissingen worden gewezen over dit geschilpunt tussen de betrokken partijen.
5.13.
Dat Benelux Barging op grond van de (onder)tijdbevrachtingsovereenkomst met Verde Marine schadeplichtig zou zijn en Verde Marine haar (schade)vorderingen eenvoudigweg kan verhalen op Benelux Barging, laat het belang van Verde Marine bij de door haar gevorderde tussenkomst onverlet. Dat de inhoud van de tijdbevrachtingsovereenkomst en (onder)tijdbevrachtingsovereenkomst inhoudelijk van elkaar verschillen, maakt het voorgaande oordeel ook niet anders. Het doet er immers niet aan af dat de (reconventionele) vorderingen van Benelux Barging ook betrekking hebben op de teruggehouden lading gasolie waarvan Verde Marine stelt eigenaar te zijn.
5.14.
In dit incident kan buiten beschouwing blijven of (zoals Anaco welbeschouwd betoogt) al vaststaat dat Verde Marine eigenaar is van de (volledige) lading gasolie, dat is een geschilpunt dat in de hoofdzaak ter beoordeling moet worden voorgelegd.
5.15.
Dat betekent dat de primaire incidentele vordering tot tussenkomst wordt toegewezen. De subsidiaire incidentele vordering behoeft dus geen bespreking.
5.16.
Anaco zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van € 614,00 (1 punt volgens liquidatietarief II) van het incident worden veroordeeld.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
staat Verde Marine toe in de hoofdzaak tussen te komen;
6.2.
veroordeelt Anaco in de kosten van het incident, aan de zijde van Verde Marine tot op heden begroot op € 614,00;
6.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
6.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
4 februari 2026voor het nemen van de conclusie van eis in de tussenkomst door Verde Marine;
6.5.
houdt elk verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
3266/32