ECLI:NL:RBROT:2025:15114

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
10/338652-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving na ontvoering met geweld

Op 18 december 2023 is de aangever in Schiedam ontvoerd door de verdachte en medeverdachten. De aangever werd met geweld in een bestelbus getrokken, vastgebonden en geblinddoekt. Gedurende twee dagen werd hij op een onbekende locatie vastgehouden, terwijl zijn familie werd benaderd voor losgeld. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van gijzeling, maar heeft hem wel veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank oordeelt dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld in de ontvoering en de vrijheidsberoving van de aangever. De rechtbank legt een gevangenisstraf van drie jaar op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn er vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waarbij de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/338652-23
Datum uitspraak: 18 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1993,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
raadsman mr. A.F.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 17 en 18 november 2025 en 18 december 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. J. Boender en J. Spaans (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:
  • bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van gijzeling. De officier van justitie heeft betoogd dat uit het dossier volgt dat de verdachten tezamen hebben gehandeld om de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven en vervolgens de familie van de aangever te dwingen losgeld te betalen voor zijn vrijlating. De verdachten hebben hierbij weliswaar een eigen rol gehad, maar door die rol te vervullen, hebben zij allen een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij de totstandkoming van het primair ten laste gelegde.
4.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde in beide varianten. De verdachte heeft geen intellectuele en/of materiële bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is om als medepleger te worden aangemerkt. Hij was niet één van de personen die de aangever in de bestelbus heeft getrokken en was ook niet aanwezig op de locatie waar de aangever is vastgehouden. De verdachte is enkel voorafgaand aan de ontvoering, op verzoek, in het casino gaan kijken of de aangever daar op dat moment aanwezig was. De aangetroffen DNA-sporen duiden niet op een verdergaande betrokkenheid van de verdachte.
In dit kader heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek ingediend om – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – alsnog aanvullend onderzoek te laten doen naar het DNA op activiteitenniveau, teneinde te bepalen hoe en op welk moment het DNA op de goederen kan zijn gekomen en/of contaminatie mogelijk kan zijn geweest middels overdacht vanaf een jas of andere goederen.
4.1.3.
Beoordeling
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 18 december 2023 is de aangever, [aangever], in de parkeergarage aan de Noorderstraat te Schiedam ontvoerd. Nadat hij door een man werd aangesproken, is hij door meerdere personen met geweld een witte Opel Combo in getrokken. Hierbij is de aangever geslagen. In het voertuig is hij vastgebonden met tie-wraps en is zijn telefoon afgenomen. De witte Opel Combo, met daarin vier verdachten en de aangever, reed vervolgens dwars door een slagboom de parkeergarage uit, direct gevolgd door een zwarte Peugeot 208 en een rode Opel Meriva. De aangever is met de witte Opel Combo overgebracht naar de Fokkerstraat in Schiedam en daar overgezet in een grijze Volkswagen T-Roc. Met dit voertuig is hij naar een onbekend gebleven locatie vervoerd, waar hij twee dagen is vastgehouden. De zwarte Peugeot 208 is vanaf de Fokkerstraat achter de Volkswagen T-Roc aangereden.
De witte Opel Combo waarmee de aangever vanuit de parkeergarage werd ontvoerd, is enkele uren later staande gehouden in de buurt van Tilburg. De [medeverdachte 1], die de auto bestuurde, is vervolgens aangehouden. In de Opel Combo zijn onder andere een tie-wrap en bloedsporen van de aangever aangetroffen en is een schoen gevonden van het merk Santoni, die hij droeg ten tijde van de ontvoering.
De bij de ontvoering betrokken zwarte Peugeot 208 is op 19 december 2023 geregistreerd door het ANPR-systeem. Gecombineerd met observatiegegevens van de inzittenden rees hierop bij het onderzoeksteam het vermoeden dat het slachtoffer mogelijk in de buurt van Amsterdam gevangen werd gehouden. Bij een ontmoeting die avond in Amsterdam tussen meerdere personen uit de Peugeot 208 en uit een Volvo XC40, zijn alle inzittenden van de beide auto’s aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de ontvoering. Dit betreft (onder andere) de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 5].
De aangever is, geboeid met tie-wraps en met een gehoorbeschermer en een met tape afgeplakte skibril op zijn hoofd, op 20 december 2023 in de avonduren op de Wethouder van Essenweg te Halfweg door onbekend gebleven medeverdachten uit een auto gezet. Hij werd daar korte tijd later aangetroffen door twee buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente.
Op basis van het verdere onderzoek, onder meer aan de bij aanhouding van de verdachten in beslag genomen telefoons, is op 30 januari 2024 ook de [medeverdachte 6] aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de ontvoering.
De vraag die voorligt is of de aangehouden verdachten betrokken zijn bij het ten laste gelegde, welke rol zij daarbij hebben gehad en welk strafbaar feit dit eventueel oplevert. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.
Betrokkenheid op basis van het dossier en de verklaringen van de verdachten
De [medeverdachte 2]heeft bij de politie bekend dat hij bij de ontvoering betrokken is geweest. Volgens zijn verklaring is hij de persoon die de aangever in de parkeergarage heeft aangesproken en heeft hij ook geholpen om de aangever in de witte Opel Combo te plaatsen. Hij is in de zwarte Peugeot 208 meegereden naar de locatie aan de Fokkerstraat, waar de aangever is overgezet in de grijze Volkswagen T-Roc. Eerder die dag was hij in Amsterdam betrokken bij het huren van deze auto.
Anders dan hij heeft verklaard, leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 2] een van de inzittenden was van de Volkswagen T-Roc, waarmee de aangever vanaf de Fokkerstraat verder is vervoerd naar de locatie waar hij daarna is vastgehouden. De verdachte heeft bevestigd dat hij de gebruiker is van het account ‘[accountnaam 1]’, waarmee voorafgaand, tijdens en na afloop van de ontvoering intensief contact werd onderhouden met verschillende medeverdachten. Uit locatiegegevens valt af te leiden dat de telefoon met dit account na de ontvoering op meerdere momenten meebewoog met de telefoon van de aangever, onder andere op de momenten dat de familie werd benaderd om losgeld te betalen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de bewuste chatberichten niet zelf heeft verstuurd, maar dat hij wel op de hoogte werd gesteld van de inhoud ervan.
De [medeverdachte 6]heeft bij de politie zijn betrokkenheid bij het observeren van de aangever en bij het plaatsen van het peilbaken onder de auto van de aangever bekend. Deze verklaring past bij het aan de verdachte toegeschreven DNA-spoor dat eerder op het sluitingslipje van de simkaart in voornoemd peilbaken werd aangetroffen. Anders dan de verdachte heeft verklaard, stelt de rechtbank echter vast dat hij ook bij de verdere uitvoering van de ontvoering en de vrijheidsberoving van de aangever actief betrokken is geweest. Met een onder hem in beslag genomen telefoon (nummer eindigend op -[nummer 1]) zijn in de weken voorafgaand aan het tenlastegelegde meerdere berichten verstuurd, onder andere aan de medeverdachte [medeverdachte 2], die zien op de observatie van de aangever en de voorbereiding van de ontvoering. Uit locatiegegevens leidt de rechtbank af dat de gebruiker van de telefoon ten tijde van de ontvoering in de omgeving van de parkeergarage is geweest en direct erna met de betrokken medeverdachten naar de Fokkerstraat is gereden. Op basis van chatberichten die vanaf de telefoon zijn verstuurd aan de [medeverdachte 3] (onder het account van ‘[accountnaam 2]’) stelt de rechtbank vast dat de telefoon daarna in de zwarte Peugeot 208 is gebruikt terwijl deze achter de grijze Volkswagen T-Roc aanreed, waarin de aangever werd vervoerd. Onder de door de verdachte gebruikte bijnaam ‘[naam 1]’ werden een dag later vanaf de telefoon berichten verstuurd aan de [medeverdachte 5] over de bewaking van de aangever. Op een tie-wrap waarmee de aangever was vastgebonden en op de binnenzijde van de gehoorbeschermer die de aangever droeg, is DNA van de verdachte aangetroffen. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van en in de uren na de ontvoering niet de gebruiker was van de onder hem in beslag genomen telefoon, niet geloofwaardig.
De [medeverdachte 3]heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. In de zwarte Peugeot 208 waarin hij werd aangehouden, is een iPhone 7 ([SIN-nummer 1]) gevonden. Op basis van het verdere onderzoek kunnen deze telefoon en het daarop aangetroffen Snapchataccount ‘[accountnaam 2]’ aan deze verdachte worden toegeschreven. Vanaf dit account is voor, gedurende en na de ontvoering onder andere gecommuniceerd met de accounts ‘[accountnaam 1]’ (de [medeverdachte 2]) en ‘[accountnaam 3]’ (de [medeverdachte 1]) over deze ontvoering en de voorbereiding daarvan. Uit locatiegegevens leidt de rechtbank af dat de telefoon na de ontvoering op meerdere momenten meebewoog met de telefoon van de aangever. Op de telefoon van de verdachte is voorts een notitie gevonden met daarop de inlogcode die de aangever tijdens de ontvoering had moeten afstaan van zijn telefoon.
Het aan de [medeverdachte 3] toegeschreven telefoonnummer eindigend op -[nummer 2] is gekoppeld aan de simkaart van het baken onder de auto van de aangever. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 3] het peilbaken samen met de [medeverdachte 6] onder de auto heeft geplaatst. De [medeverdachte 3] heeft voorafgaand aan de ontvoering de [medeverdachte 1] naar het autobedrijf in Ede vervoerd waar [medeverdachte 1] de witte Opel Combo heeft gehuurd. Ook was [medeverdachte 3] een van de inzittenden van de grijze Volkswagen T-Roc, waarmee de aangever vanaf de Fokkerstraat naar de locatie is gebracht waar hij daarna werd vastgehouden.
De [medeverdachte 4]heeft zich eveneens op zijn zwijgrecht beroepen. Bij zijn aanhouding zat hij als chauffeur in de zwarte Peugeot 208. In de aan hem toegeschreven telefoon (iPhone 7 met [SIN-nummer 2]) is een notitie gevonden met gegevens die gerelateerd kunnen worden aan de persoonlijke omstandigheden van de aangever. Ook is een afbeelding aangetroffen met gegevens om te kunnen inloggen op een GPS-tracker. Uit locatiegegevens blijkt dat de telefoon ten tijde van de ontvoering op de plaats delict en op de Fokkerstaat is geweest. Kort na de ontvoering stuurde de [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] een afbeelding van de code van de telefoon van de aangever. Uit de chatberichten tussen de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6], en uit de locatiegegevens van de in beslag genomen telefoons kan worden afgeleid dat de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] in de zwarte Peugeot 208 zaten die achter de grijze Volkswagen T-Roc reed waarin de aangever vanaf de Fokkerstraat werd vervoerd.
De [verdachte]heeft erkend dat hij op 18 december 2023 in het casino Fairplay aan de Noorderstraat is geweest. Ook de aangever was daar voorafgaand aan de ontvoering. De [verdachte] is in de rode Opel Meriva naar het casino gereden. Hij droeg op dat moment dezelfde North Face jas die een dag later bij zijn aanhouding in de zwarte Peugeot 208 is aangetroffen. Op die jas is een bloedspoor van de aangever gevonden. Ook is DNA van de [verdachte] en van de aangever gevonden op een tie-wrap die in de laadruimte van de witte Opel Combo lag, en op de binnenzijde van de gehoorbeschermer en de skibril die de aangever droeg. Het DNA van de [verdachte] is eveneens aangetroffen op de rol tape die in de witte Opel Combo lag waarmee de aangever werd ontvoerd. Deze rol kon op basis van technisch onderzoek worden gekoppeld aan de stukken tape waarmee de skibril was afgeplakt.
De [medeverdachte 1]heeft bevestigd dat hij de witte Opel Combo heeft gehuurd waarmee de aangever is ontvoerd uit de parkeergarage, maar ontkent enige betrokkenheid bij het tenlastegelegde. Tijdens zijn aanhouding was de verdachte in het bezit van een telefoon (iPhone 14 met [SIN-nummer 3]). Op deze telefoon zijn vanaf het account van de verdachte (‘[accountnaam 3]’) berichten gewisseld met de [medeverdachte 3] ([accountnaam 2]) die zien op de voorbereiding van de ontvoering. De telefoon van de verdachte en de witte Opel Combo zijn op de middag voor de ontvoering in de omgeving van de parkeergarage en de Fokkerstraat getraceerd. Verder zijn DNA-sporen van de verdachte aangetroffen op het parkeerkaartje van de parkeergarage Parking You, gedateerd 18 december 2023 om 14.56 uur, dat in de witte Opel Combo is aangetroffen. De rechtbank acht bewezen dat de [medeverdachte 1] zowel bij de voorbereiding als bij de uitvoering van de ontvoering van de aangever actief betrokken is geweest en hecht geen geloof aan de alternatieve, niet verifieerbare lezingen die de verdachte heeft gegeven bij de voor hem belastende onderzoeksbevindingen.
De [medeverdachte 5]was niet aanwezig bij de ontvoering van de aangever en bij het transport vanaf de Fokkerstraat. De verdachte heeft verklaard dat hem de dag erna, op 19 december 2023, werd gevraagd om als chauffeur met de zwarte Peugeot 208 twee personen naar Amsterdam te brengen, waar hij vervolgens werd aangehouden. Hij ontkent enige betrokkenheid bij of wetenschap van de ontvoering.
Uit chatberichten op de telefoon van de [medeverdachte 5] blijkt dat hij op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte 2] (‘[accountnaam 1]’) enkele uren na de ontvoering naar de parkeergarage is gereden – waar op dat moment de auto van de aangever met het peilbaken geparkeerd stond – en hem liet weten dat daar op dat moment veel politie aanwezig was. Op de telefoon van de verdachte is een door [medeverdachte 2] toegestuurde afbeelding van een GPS-tracker gevonden. Later die avond stuurde de verdachte hem bericht dat “ze auto” er nog staat. Uit de verdere chatwisseling met [medeverdachte 2], waarin onder meer wordt gesproken over losgeld, leidt de rechtbank af dat de verdachte wel degelijk wetenschap had van de ontvoering en ook actief betrokken was bij de verdere vrijheidsberoving van de aangever. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld op het bericht van 19 december 2023 aan de [medeverdachte 6] (‘[naam 1]’) waarin de verdachte hem laat weten dat “hij wilt roken”; dit laatste komt overeen met de verklaring van de aangever. De verdachte heeft diezelfde dag ook contact met [medeverdachte 6] over de aflossing en zegt dat hij weg wil, als blijkt dat [medeverdachte 6] niet op de afgesproken tijd aanwezig kan zijn.
Rolverdeling en medeplegen
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande het volgende:
  • de [medeverdachte 2] heeft voorafgaand aan en tijdens de ontvoering een leidinggevende en sturende rol gehad. Hij heeft anderen instructies gegeven, heeft medeverdachten aangestuurd en was ook zelf actief betrokken bij de uitvoering; ook werd hij direct geïnformeerd over de chatberichten aan de broer van de aangever, waarin losgeld werd geëist.
  • de [medeverdachte 6] heeft zowel in de voorbereidende fase als bij de uitvoering van de
ontvoering, onder meer bij de bewaking van het slachtoffer tijdens zijn gevangenschap, essentiële uitvoeringshandelingen verricht.
  • de [medeverdachte 3] is intensief betrokken geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van de ontvoering en heeft anderen hierbij betrokken en aangestuurd.
  • de [medeverdachte 4] is betrokken geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van de ontvoering, en bestuurde de zwarte Peugeot 208 waarin hij samen met [medeverdachte 6] reed.
  • de [verdachte] is spotter geweest en is daarna ook betrokken geweest bij de ontvoering en het overzetten van de aangever in de Volkswagen T-Roc.
  • de [medeverdachte 1] is de chauffeur geweest van de witte Opel Combo en is betrokken geweest bij de overmeestering van de aangever in de parkeergarage.
  • de [medeverdachte 5] wisselde na de ontvoering informatie uit met de medeverdachten en was actief betrokken bij het bewaken van de aangever op de locatie waar hij werd vastgehouden.
Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij is van belang dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechter kan bij die beoordeling onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Zoals hierboven uiteengezet heeft de [verdachte] een actieve bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde. De [verdachte] is spotter geweest en is later betrokken geweest bij de ontvoering en het overzetten van de aangever in de Volkswagen T-Roc. Zoals op de camerabeelden te zien is, droeg hij die dag de North Face jas die op 19 december 2023 in de zwarte Peugeot 208 is aangetroffen. Op die jas is een bloedspoor van de aangever gevonden. Uit de gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat het enige moment waarop het bloedspoor op de jas kan zijn gekomen, het moment is dat de aangever door een aantal verdachten werd overmeesterd in de parkeergarage en in de witte Opel Combo werd getrokken. Aangezien de [verdachte] op dat moment de jas aan had, kan het niet anders dan dat deze verdachte één van de personen is die de aangever hebben overmeesterd. Dit maakt dat de [verdachte] heeft bijgedragen aan een zeer essentieel onderdeel van de ontvoering. De aanwezigheid van zijn DNA op een aantal andere goederen bevestigt zijn betrokkenheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op zijn eigen handelen en de intensieve samenwerking met de medeverdachten sprake is van medeplegen.
Gelet op voorgaande conclusies en zonder alternatief scenario bij de aangetroffen sporen, is de rechtbank van oordeel dat geen noodzaak en geen aanleiding bestaat om nader onderzoek te doen naar het DNA op activiteitenniveau. Het voorwaardelijk verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (wederrechtelijke vrijheidsberoving)
De rechtbank komt op basis van bovenstaande vaststaande feiten en omstandigheden en de onderliggende stukken uit het dossier tot de conclusie dat sprake is van (een actieve) betrokkenheid van de verdachte bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangever.
Het dossier bevat echter geen concrete bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om een ander te dwingen iets te doen. Immers kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was of aanwezig is geweest bij het versturen van de berichten aan de familie omtrent het losgeld, dan wel dat de verdachte daarvan wetenschap heeft gehad. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van gijzeling. Wel bewezen is het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving.
4.1.4.
Conclusie
Bewezen is het subsidiair ten laste gelegde.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
subsidiair,
hij in
of omstreeksde periode18 december 2023 tot en met 20 december 2023 te Schiedam
,en
/ofHalfweg, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,opzettelijk [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft
/hebbenberoofd en
/ofberoofd gehouden, door
- zich
opgedrongenop te dringenaan die [slachtoffer] en
/of
- die [slachtoffer] met kracht
beetgepakt/vastgepaktbeet te pakken/ vast te pakkenen
/of gestompt/geslagen/geschoptte slaan,
althans één of meer gewelddadige handelingen jegens die [slachtoffer] uitgeoefendteneinde hem in een auto te krijgen en
/of
- die [slachtoffer] met kracht in een auto
geduwd/getrokkente duwen/ te trekkenen
/of
- die [slachtoffer] in
één of meerauto's naar (een) (onbekend gebleven) locatie(s)
vervoerdte vervoerenen
/ofaldaar
gehoudente houdenen
/of
- die [slachtoffer] met
tape en/oftie raps
vastgebondenvast te bindenen
/ofeen
(afgeplakte
/verduisterde)(ski)bril en
/ofkoptelefoon
opgezetop te zettenen
/of
- de telefoon van die [slachtoffer]
afgepakt/ afgenomenaf te pakken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
Subsidiair:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachten hebben de aangever ontvoerd vanuit een parkeergarage door hem met geweld in een bestelbus te werken. Hij is hierbij geslagen, vastgebonden en geblinddoekt. De aangever is na een korte rit met de bestelbus overgezet in een andere auto en daarmee naar een onbekend gebleven locatie vervoerd waar hij twee dagen is vastgehouden. Gedurende die periode hebben de broer en vrienden van de aangever berichten ontvangen waarin werd gezegd dat er losgeld moest worden betaald voor de vrijlating van de aangever. Na twee dagen is de aangever, geboeid, geblinddoekt en met gehoorbescherming op, in Halfweg uit een auto gezet en op straat achtergelaten.
Dit is een zeer ernstig feit. De verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangever. Dat deze situatie voor de aangever bijzonder beangstigend moet zijn geweest, staat buiten kijf. Uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat hij niet alleen fysiek pijn heeft geleden, maar ook doodsangsten heeft uitgestaan. Dit laatste geldt ook voor de naasten van de aangever. De verdachten hebben kennelijk geen oog gehad voor de gevolgen van dit feit voor de aangever en zijn omgeving, en zijn kennelijk alleen gericht geweest op hun eigen financiële voordeel. Dergelijke misdrijven dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent de verdachten dit alles zwaar aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld.
Rapportage
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 oktober 2025. Dit rapport houdt het volgende in.
De reclassering kan met de beschikbare informatie niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn. Wel signaleert de reclassering meerdere mogelijk risicoverhogende factoren. Zo heeft de verdachte geen stabiele huisvesting, ontbreekt het aan een zinvolle dagbesteding, is er mogelijk sprake van schulden en ontbreekt het de verdachte vermoedelijk aan een structureel en stabiel inkomen. Mogelijk is ook sprake van een negatief sociaal netwerk en tot slot zijn er aanwijzingen voor middelengebruik, hoewel niet duidelijk is in hoeverre dit problematisch is en/of van invloed op zijn oordeelsvermogen en handelen. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een eventuele gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen. Vanwege de ernst van het feit ziet de rechtbank daartoe op dit moment geen aanleiding. In het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling kan eventueel opnieuw worden bezien of verdere interventies of begeleiding geïndiceerd worden geacht. Wel zal de rechtbank rekening houden met de (in vergelijking met enkele medeverdachten) relatief beperkte rol die de verdachte in het bewezenverklaarde heeft gehad en met het feit dat hij van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Gelet hierop zal de rechtbank een lagere straf aan de verdachte opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

8.Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:
[benadeelde partij 1]ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van (ter terechtzitting gewijzigd) primair € 18.841,16 / subsidiair € 11.868,92 aan materiële schade, een vergoeding van € 25.000,-- aan immateriële schade en een vergoeding van € 10.000,-- aan nader te onderbouwen schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Als benadeelde partij heeft zich voorts in het geding gevoegd:
[benadeelde partij 2]ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 480,11 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 1] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade, met toekenning van wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient ten aanzien van de nader te onderbouwen schade niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 2] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade, met toekenning van wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 1] betoogd dat de schadeposten kleding, schoenen, iPhone, het nieuwe slot in de woning, overige kosten, kosten zonder nut en verlies aan verdienvermogen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing dan wel het ontbreken van causaal verband. Voor wat betreft het immaterieel gevorderde schadebedrag is betoogd een bedrag van maximaal € 10.000,-- toe te wijzen.
Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 2] is betoogd het immaterieel gevorderde schadebedrag te matigen tot een bedrag van maximaal € 1.000,--.
8.3.
Beoordeling
Vordering [benadeelde partij 1]
Gevorderde materiële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht in de vorm van schade aan kleding, telefoon, het eigen risico van de zorgverzekering, het nieuwe slot in de woning, de overige kosten en de kosten zonder nut.
De vordering is genoegzaam onderbouwd en zal voor die onderdelen, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen, te weten voor de volgende bedragen: het eigen risico: € 1.092,28, het nieuwe slot: € 370,77, de overige kosten: € 257,84 en de kosten zonder nut: € 130,70. De rechtbank zal daarbij voor wat betreft de kleding en de telefoon gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en deze geleden schade schatten op een bedrag van € 2.000,--.
Verlies aan verdienvermogen
Op basis van de overgelegde stukken en de toelichting van de benadeelde partij bestaat ten aanzien van dit onderdeel van de vordering teveel onduidelijkheid over de gestelde schade als gevolg van het bewezen feit. Zo is een vaststellingsovereenkomst overgelegd waaruit volgt dat de benadeelde partij en de werkgever zijn overeengekomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen, maar is (in het kader van eventuele schadebeperking) niet duidelijk hoe zich dit verhoudt tot arbeidsrechtelijke mogelijkheden tot begeleiding naar ander passend werk. Nader onderzoek naar de gegrondheid van dit deel van de vordering, alsmede naar de omvang van de schade zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gevorderde immateriële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 15.000,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Nader te onderbouwen schade
De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd met het oog op een eventuele procedure in hoger beroep. De nader te onderbouwen schade betreft mogelijke toekomstige schade en is thans niet geconcretiseerd. Onzeker is of deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De benadeelde partij zal daarom ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vordering [benadeelde partij 2]
Gevorderde materiële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is genoegzaam onderbouwd en zal, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.
Gevorderde immateriële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment, op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden, naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid, wettelijke rente en overige kosten ten aanzien van beide vorderingen
Hoofdelijkheid
De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule toewijzen. Ten aanzien van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een delict waarbij de medeplegers van dat delict in civielrechtelijke zin verantwoordelijk én aansprakelijk zijn voor het geheel van het door de groep gepleegde geweld en de gevolgen daarvan. Daarmee is sprake van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. Het eerste lid van genoemd artikel bepaalt immers dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Daarom zal de rechtbank bepalen dat indien (een van) de mededaders het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 december 2023.
Overig
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van € 18.851,59, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
De verdachte moet de [benadeelde partij 2] een schadevergoeding betalen van € 2.980,11, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Voorlopige hechtenis

De verdachte is bij eerdere beslissing van 25 november 2024 geschorst uit de voorlopige hechtenis. Aan deze schorsing is
geen termijngekoppeld. De verdachte wordt thans veroordeeld voor het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een maximale gevangenisstraf van 8 jaar is gesteld.
Hieruit volgt dat er ernstige bezwaren zijn en dat er een grond is voor toepassen van voorlopige hechtenis, te weten de recidivegrond (art. 67a lid 1 jo. lid 2 onder 2 Wetboek van Strafvordering). Daarbij is het eerdere schorsingstoezicht negatief terug gemeld door de reclassering wegens overtreding van de gestelde voorwaarden. De rechtbank ziet daarin echter onvoldoende gewichtige redenen die thans een opheffing van het geschorste bevel noodzakelijk maken. Zij wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987) waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan ondergane voorlopige hechtenis geen toereikende grond is om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
De rechtbank zal daarom, alles afwegende, de vordering van de officier van justitie afwijzen om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

11.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van
€ 18.851,59 (zegge: achttienduizend-achthonderdeenenvijftig euro en negenenvijftig eurocent), bestaande uit € 3.851,59 aan materiële schade en € 15.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de [benadeelde partij 1] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen
€ 18.851,59 (zegge: achttienduizendachthonderdeenenvijftig euro en negenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 18.851,59 niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
129 (honderdnegenentwintig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededader/mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van
€ 2.980,11 (zegge: tweeduizend-negenhonderdtachtig euro en elf eurocent), bestaande uit € 480,11 aan materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de [benadeelde partij 2] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] te betalen
€ 2.980,11 (zegge: tweeduizendnegenhonderdtachtig euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.980,11 niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
39 (negenendertig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 2], waaronder begrepen betaling door zijn mededader/mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en S. Zuidwijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij
in of omstreeks de periode 18 december 2023 tot en met 20 december 2023 te
Schiedam en/of Halfweg, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid
heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en),
te weten [naam 2] en/ of één of meer familieleden van die [slachtoffer], althans
(een) tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en). te dwingen iets te doen of niet
te doen,
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen
(met een afgedekt gezicht/gelaat)
- zich opgedrongen aan die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] met kracht beetgepakt/vastgepakt en/of
gestompt/geslagen/geschopt, althans één of meer gewelddadige handelingen
jegens die [slachtoffer] uitgeoefend teneinde hem in een auto te krijgen en/of
- die [slachtoffer] met kracht in een auto geduwd/getrokken en/of
- die [slachtoffer] in één of meer auto's naar (een) (onbekend gebleven) locatie (s)
vervoerd en/of aldaar vastgehouden en/of
- die [slachtoffer] met tape en/ of tie raps vastgebonden en/ of een
(afgeplakte/verduisterde) (ski)bril en/of koptelefoon opgezet en/of
- de telefoon van die [slachtoffer] afgepakt/ afgenomen en/ of
- met de telefoon van die [slachtoffer] één of meer foto's van deze gewonde en/of
vastgebonden [slachtoffer] gemaakt en/of
- voornoemde foto('s) tezamen met één of meer berichten inhoudende de strekking
-zakelijk weergegeven- dat er 5 miljoen euro, althans een groot geldbedrag aan
losgeld moest worden betaald en/of een (grote) hoeveelheid drugs moest worden
geleverd voor de vrijlating van [slachtoffer], naar voornoemde [naam 2] en/of de
familie van die [slachtoffer], althans een of meer personen gestuurd,
teneinde voornoemde [naam 2] en/of de familieleden van die [slachtoffer],
althans (een) tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en), te dwingen tot de
afgifte van 5 miljoen euro en/ of van een (groot) geldbedrag en/ of een (grote)
hoeveelheid drugs;
(
art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks 18 december 2023 tot en met 20 december 2023 te Schiedam,
en/of Halfweg, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
[slachtoffer],
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door
- zich opgedrongen aan die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] met kracht beetgepakt/vastgepakt en/of
gestompt/geslagen/geschopt, althans één of meer gewelddadige handelingen
jegens die [slachtoffer] uitgeoefend teneinde hem in een auto te krijgen en/of
- die [slachtoffer] met kracht in een auto geduwd/getrokken en/of
- die [slachtoffer] in één of meer auto's naar (een) (onbekend gebleven) locatie(s)
vervoerd en/of aldaar gehouden en/of
- die [slachtoffer] met tape en/of tie raps vastgebonden en/of een
(afgeplakte/verduisterde) (ski)bril en/of koptelefoon opgezet en/of
- de telefoon van die [slachtoffer] afgepakt/ afgenomen.
(
art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid1ahf/sub1Wetboek van Strafrecht)