Uitspraak
[verdachte]
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een negentienjarige verdachte die beschuldigd werd van het plegen van ontuchtige handelingen met een vijftienjarig meisje. De tenlastelegging omvatte het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster, die op dat moment vijftien jaar oud was, door de verdachte. De rechtbank heeft vastgesteld dat het ontuchtige karakter van de seksuele handelingen ontbrak, omdat de mentale leeftijd van de verdachte dichter bij die van de aangeefster lag dan bij een gemiddelde jongere van zijn leeftijd. Dit leidde tot de conclusie dat er sprake was van een gering leeftijdsverschil en een min of meer gelijkwaardige verhouding tussen de betrokkenen.
De officier van justitie had gevorderd dat de verdachte zou worden veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf van 150 uren. De verdediging pleitte echter voor vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het feit niet bewezen kon worden, omdat de verklaringen van de verdachte en de aangeefster niet in strijd waren met elkaar en er onvoldoende bewijs was dat de seksuele handelingen niet vrijwillig waren. De rechtbank concludeerde dat de verdachte, gezien zijn mentale en emotionele ontwikkeling, niet in staat was om de gevolgen van zijn handelen volledig te overzien, wat bijdroeg aan de beslissing om de verdachte vrij te spreken van de beschuldigingen.
De uitspraak benadrukt de noodzaak om rekening te houden met de mentale en emotionele ontwikkeling van jongeren in strafzaken, vooral wanneer het gaat om seksuele relaties met minderjarigen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, omdat het ontuchtige karakter van de handelingen ontbrak, en heeft daarmee de nadruk gelegd op de context van de relatie tussen de verdachte en de aangeefster.