ECLI:NL:RBROT:2025:15037

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
10-221792-25 en 10-195412-24 (TUL)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing jeugdstrafrecht bij poging tot brandstichting en ontploffing

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen heeft geprobeerd iemand uit te lokken om brand te stichten of een ontploffing te veroorzaken. De verdachte, geboren in 2007, werd beschuldigd van het medeplegen van poging tot brandstichting en het veroorzaken van een ontploffing. De rechtbank oordeelde dat de verdachte samen met mededaders instructies en middelen heeft verschaft voor het begaan van deze misdrijven. De verdachte werd veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie, waarvan 63 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals toezicht van de jeugdreclassering en ambulante behandeling. De rechtbank oordeelde dat de feiten ernstig zijn, maar dat de verdachte nog jong is en dat het jeugdstrafrecht van toepassing is. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de primaire beschuldiging, omdat er onvoldoende bewijs was voor een begin van uitvoering van het delict. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de impact op de samenleving, ondanks het feit dat het beoogde delict niet is uitgevoerd.

Uitspraak

Rechtbank RotterdaMZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-221792-25
Parketnummer TUL: 10-195412-24
Datum uitspraak: 22 december 2025
Datum zitting: 10 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres verdachte] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting PI [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. T. Sönmez.
Officier van justitie: mr. J. Spaans.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – samen met anderen [slachtoffer] heeft bewogen, dan wel geprobeerd heeft te bewegen, om brand te stichten of een ontploffing te veroorzaken. Ter voorbereiding daarvan zou de verdachte samen met anderen vuurwerk, een brandbare vloeistof en een fatbike voorhanden hebben gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Rotterdam en/of Rhoon, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, door giften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, [slachtoffer] opzettelijk heeft bewogen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: opzettelijke brandstichting en/of opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is (artikel 157 Wetboek van Strafrecht) immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders
- [slachtoffer] benaderd om dit strafbare feit te plegen en/of
- een onbekend geldbedrag in het vooruitzicht gesteld en/of
- [slachtoffer] inlichtingen, te weten het adres van het doelobject, gegeven en/of
- [slachtoffer] een stuk (illegaal) vuurwerk (te weten: een super cobra 6) en/of een fles (brandbare) vloeistof en/of een fatbike ter beschikking gesteld, ten behoeve van de uitvoering van voornoemd strafbaar feit (art. 157 Sr);
[subsidiair]hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Rotterdam en/of Rhoon, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen heeft gepoogd om [slachtoffer] door giften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: brandstichting en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 157 Wetboek van Strafrecht oplevert) immers hebben verdachten
- die [slachtoffer] (via/middels de applicatie Snapchat) benaderd om dit strafbare feit te plegen en/of
- een onbekend geldbedrag, in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de brandstichting en/of ontploffing en/of
- die [slachtoffer] (via/middels de applicatie Snapchat) inlichtingen en/of opdrachten gegeven gericht op het plegen van voornoemd strafbaar feit en/of
- die [slachtoffer] een stuk (illegaal) vuurwerk (te weten: een super cobra 6) en/of een fles (brandbare) vloeistof en/of een fatbike verschaft ten behoeve van de uitvoering van voornoemd strafbaar feit;
2
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Rotterdam en/of Rhoon, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing, opzettelijk
- een stuk (illegaal) vuurwerk (te weten: een super cobra 6) en/of
- een fles (brandbare) vloeistof en/of
- een fatbike en/of
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.

2.Bewijs / Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 primair en dat hij zal worden veroordeeld voor de feiten 1 subsidiair en 2.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 primair en subsidiair en de beslissing ten aanzien van feit 2 overgelaten aan de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de beschuldiging van feit 1 primair niet is bewezen. Het uitgelokte delict heeft niet plaatsgevonden en evenmin is sprake geweest van een begin van uitvoering daarvan. Er zijn geen handelingen verricht die, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, in voldoende concrete mate gericht waren op voltooiing van het beoogde strafbare feit. De enkele vaststelling dat [slachtoffer] enkele malen langs de betreffende woning is gefietst, met een tas met daarin een explosief en een flesje met gele (vermoedelijk brandbare) vloeistof, is onvoldoende concreet om te kunnen spreken van een begin van uitvoering om brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen aan of bij die woning. Daarom zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte samen met anderen heeft geprobeerd om [slachtoffer] te bewegen tot het plegen van brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing. Ter voorbereiding van dat misdrijf heeft de verdachte samen met anderen vuurwerk, een (vermoedelijk brandbare) vloeistof en een fatbike voorhanden gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair en 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] .
1.
Verklaring van de verdachte [2]
De verdachte heeft op 23 juli 2025 in Rotterdam een fatbike neergezet bij een sporthal in Crooswijk.
2.
Proces-verbaal van de politie [3] [persoon A] was op 23 juli 2025 als beveiliger aan het werk bij de [adres 1] . Hij zag om 22.52 uur iemand voorbijrijden op een zwarte fatbike, met een tas aan het stuur. Om 22.59 uur en 23.03 uur reed dezelfde persoon weer langs. Om 23.08 uur stopte de fietser voor de woning met nummer [huisnummer X] .
3.
Proces-verbaal van de politie [4] De persoon op de fiets werd geïdentificeerd als [slachtoffer] . De tas werd aangetroffen in de berm ter hoogte van de [adres 2] . In de tas lag een super cobra 6 getapet aan een flesje met gele vloeistof.
4.
Proces-verbaal van de politie [5] Onder [slachtoffer] zijn een blauwe en een zwarte iPhone in beslag genomen.
5.
Proces-verbaal van de politie [6] De blauwe iPhone is onderzocht. Op basis van e-mails, berichten en selfies bleek dat [slachtoffer] zeer waarschijnlijk de gebruiker was van deze iPhone.
- Op 23 juli 2025 om 17.33.14 uur werd de volgende notitie op de telefoon geregistreerd: ' [adres 1] [adres 3] '.
- Na het maken van de notitie werd geregistreerd dat er om 17 33.43 uur met de applicatie Apple Maps werd gezocht op de term ' [adres 3] .
- In de iPhone stond geregistreerd dat op 23 juli 2025 om 22.54 uur gezocht werd op het adres [adres 1] .
- Op 23 juli 2025 om 17.49 uur (UTC+2) werd er een schermafbeelding op de iPhone geregistreerd. Op deze afbeelding is te zien dat via een applicatie (vermoedelijk Apple Maps) de fietsroute van de [adres 1] naar [adres 3] werd opgevraagd.
- Uit de locatiegegevens komt naar voren dat [slachtoffer] om 22.52 uur, om 22.57 uur en om 23.08 uur langs de woning op [adres 1] te Rhoon is gekomen.
- Tevens is gebleken dat [slachtoffer] op 23 juli 2025 om 23.11 uur langs de locatie is gekomen waar later de plastic tas met de Cobra 6 werd aangetroffen.
6.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer] [7]
Ik heet [Snapchat-naam 1] op Snapchat.
7.
Proces-verbaal van politie [8]
Aan de hand van locatiegegevens die waren geregistreerd op de telefoon van [slachtoffer] werden camerabeelden gevorderd van beveiligingscamera's langs de route die zij op 23 juli 2025 heeft afgelegd voorafgaand aan haar aanhouding op 24 juli 2025. Uit onderzoek naar deze camerabeelden bleek het volgende:
  • [slachtoffer] kwam om 21.00 uur aan bij metrostation Kralingse Zoom. Ze had op dat moment geen fatbike of plastic Albert Heijn tas bij zich;
  • [slachtoffer] steekt lopend de Crooswijkseweg over;
  • Om 21.33 uur reed [slachtoffer] met een fatbike weg bij de parkeerplaats van Sporthal Schuttersveld op de Crooswijksestraat. Aan het stuur hing een blauwe plastic Albert Heijntas.
8.
Proces-verbaal van politie [9]
Er is onderzoek ingesteld in de blauwe iPhone van [slachtoffer] . Op 23 juli 2025 om 00.10 uur werd [slachtoffer] toegevoegd aan een groep op Snapchat door Snapchatgebruiker [Snapchat-naam 2] . Het betreft een groep met de volgende gebruikers: [Snapchat-naam 2] , [Snapchat-naam 3] , [Snapchat-naam 4] en [Snapchat-naam 5] . De geboortedatum bij het Snapchat-account [Snapchat-naam 2] komt grotendeels overeen met de geboortedatum van [persoon B] . Dit maakt het zeer waarschijnlijk dat hij de
gebruiker van Snapchat-account [Snapchat-naam 2] is.
Het Snapchat-account [Snapchat-naam 3] is op 23 juli 2025 om 23.24 uur gedeactiveerd. Opvallend, gezien het feit dat [slachtoffer] omstreeks 23.14 uur staande werd gehouden. Ik heb in de politiesystemen gezocht naar het Snapchat-ID [Snapchat- ID] van gebruiker [Snapchat-naam 3] . Ik zag dat op 15 juni 2024 [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007, aangehouden is. Hierbij is zijn telefoon in beslag genomen en onderzocht. Uit dit toestel blijkt dat het snapchataccount met het unieke User-ID [Snapchat- ID] op dat moment op zijn toestel was
ingelogd. Het is mij ambtshalve bekend dat een Snapchat-ID onveranderd blijft én uniek is. Dit maakt het zeer waarschijnlijk dat [verdachte] de gebruiker is van het Snapchat-account met ID [Snapchat- ID] , met op dit moment de gekoppelde username [Snapchat-naam 3] .
Ik heb in de politiesystemen gezocht naar het telefoonnummer dat gekoppeld is aan het account van [Snapchat-naam 4] , oftewel: [gsm-nummer] . Ik zag in de politiesystemen dat dit nummer ook in een onderzoek voorkomt, waarin het gekoppeld zit aan [persoon C] . Het is zeer waarschijnlijk dat [persoon C] de gebruiker is van Snapchat-account [Snapchat-naam 4] . In de betreffende groepschat die werd aangemaakt op 23 juli 2025 om 00.10 uur UTC+2 zitten dus [persoon B] , [verdachte] , [persoon C] en [slachtoffer] .
In de groepschat wordt om 14:16 uur UTC+2 een afbeelding verstuurd. Dit betreft een afbeelding van een ander telefoonscherm (dus geen schermafbeelding). Op dit
telefoonscherm herken ik, verbalisant, een Signal-gesprek. Deze afbeelding is ontvangen via Snapchat op de iPhone 12 Pro Max van [slachtoffer] . Op de afbeelding lees je 'vandaag actie' en 'zal je niet teleurstellen', waarop wordt gereageerd met 'moet vandaag want ik ben morgen weg'.
In de telefoon zie je zowel kort voor het toevoegen als kort na het toevoegen van de notitie ‘ [adres 1] [adres 3] ’ Apple Maps wordt geopend. Na het bekijken van het adres ' [adres 3] ' in Apple Maps, zie je dat er door [slachtoffer] een bericht wordt verstuurd naar [Snapchat-naam 3] ( [verdachte] ). Om 17:44 UTC+2 ontvangt [slachtoffer] dan weer een bericht van [Snapchat-naam 3] . Ook omstreeks 19:33 UTC+2 is er contact tussen [slachtoffer] en [Snapchat-naam 3] , waarbij er het volgende uur meerdere berichten over en weer worden verstuurd.
In de telefoon van [slachtoffer] zie je dat er om 23:12 uur UTC+2 een telefoongesprek via Snapchat plaatsvindt in de groepschat met [verdachte] , [persoon C] en [persoon B] . Dit telefoongesprek was inkomend en duurde 1 minuut en 34 seconden Kort voor dit betreffende moment vond er vooral veel contact plaats met [Snapchat-naam 3] ( [verdachte] ). Om 23:14 uur ontvangt [slachtoffer] een bericht van [Snapchat-naam 4] ( [persoon C] ) Er vindt vervolgens nog een telefoongesprek plaats met de groepschat om 23:14 uur. Er volgen vervolgens meerdere berichten van [Snapchat-naam 3] ( [verdachte] ).
9.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer] [10]
Een jongen wilde dat ik een explosief zou plaatsen. Die jongen heeft twee adressen in mijn telefoon gezet. Er werd een adres via Snapchat gestuurd waar ik naartoe moest. Het zag eruit als een gymzaal. Daar ontmoette ik twee jongens. Een van hen was "snelzijn". Onder een Domino's doos zat een tas en die moest ik pakken. Ik moest de fatbike pakken. Die "snelzijn" had uitgelegd wat ik moest doen. Ik herken hem [rechtbank: de verdachte] van de foto die u toont. Ik moest hem bellen als ik bij de Regenboog was. De fatbike stond bij hun. Het was voor mij duidelijk dat er explosieven in de tas zaten. In de buurt van de woning heb ik de tas weggegooid.
10.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer] [11]
Toen ik bij Beurs uit de metro werd gezet, heb ik snelzijn gesnapt van dit gaat niks worden. Toen zei hij van dit moet wel echt vandaag gebeuren. Ze zeiden dat ik een geldbedrag zou krijgen.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 subsidiair
hij op 23 juli 2025 te Rotterdam en/of Rhoon, tezamen en in vereniging met anderen heeft gepoogd om [slachtoffer] door giften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: brandstichting of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 157 Wetboek van Strafrecht oplevert) immers hebben verdachten
- die [slachtoffer] (via/middels de applicatie Snapchat) benaderd om dit strafbare feit te plegen en
- een onbekend geldbedrag in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de brandstichting of ontploffing en
- die [slachtoffer] (via/middels de applicatie Snapchat) inlichtingen en opdrachten gegeven gericht op het plegen van voornoemd strafbaar feit en
- die [slachtoffer] een stuk vuurwerk (te weten: een super cobra 6) en een fles (brandbare) vloeistof en een fatbike verschaft ten behoeve van de uitvoering van voornoemd strafbaar feit;
Feit 2
hij op 23 juli 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting of het veroorzaken van een ontploffing, opzettelijk
- een stuk (illegaal) vuurwerk (te weten: een super cobra 6) en
- een fles (brandbare) vloeistof en
- een fatbike en
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 subsidiair
Medeplegen van poging om een ander door giften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen te bewegen om het misdrijf opzettelijk brand stichten of een ontploffing teweegbrengen te begaan;
Feit 2
Medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten of een ontploffing teweegbrengen.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 subsidiair en 2 worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen waarvan 63 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een lagere straf op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen geprobeerd iemand uit te lokken om brand te stichten of een ontploffing te veroorzaken bij een woning. Daartoe hebben de verdachte en zijn mededaders instructies en inlichtingen gegeven en de middelen voor dat misdrijf verschaft. Brandstichting en het veroorzaken van een ontploffing zijn zeer ernstige misdrijven die forse materiële schade, letsel en levensgevaar voor anderen kunnen opleveren. Dit soort feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden en in de samenleving. Dat het in deze zaak niet heeft geleid tot uitvoering van het plan van de verdachte en zijn mededaders doet hier niets aan af.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar andersoortige feiten dan waar het in deze zaak om gaat. Daarom leidt het strafblad van de verdachte niet tot een hogere straf.
Rapporten van de reclassering
In de rapporten van Reclassering Nederland van 5 september 2025 en 2 december 2025 staat onder meer het volgende.
De verdachte liep al in toezicht bij de jeugdreclassering. Er zijn zorgen over het feit dat hij op jonge leeftijd al meerdere keren in aanraking is gekomen met justitie, waarbij er bij een veroordeling mogelijk gesproken kan worden van een beginnend delictpatroon. De verdachte heeft stabiele huisvesting, steunende familiebanden en begeleiding gericht op praktische zaken.
Daarbij worden ook meerdere risicofactoren gezien. Er is onvoldoende zicht op het sociale netwerk en gezien de delictsituatie en de aanwezigheid van medeverdachten kan dit worden aangemerkt als risicofactor. Er zijn ook zorgen over het psychosociaal functioneren en de keuzes die de verdachte maakt. Hij heeft een belast verleden waardoor er volgens de jeugdreclassering nog een noodzaak voor behandeling bestaat. De verdachte had in het halfjaar voor de delictsituatie geen vaste dagbesteding. Tevens speelt het sociale media gebruik van de verdachte ook een rol in de delictsituatie.
Gezien de vele risicofactoren ziet de reclassering noodzaak voor interventies. In overleg met de toezichthouder vindt de reclassering de voortzetting van dit traject van belang, echter met strengere kaders dan voorheen, gezien de nieuwe delictsituatie en het feit dat er nauwelijks vat op hem te krijgen was. Het risico op recidive wordt ingeschat op gemiddeld tot hoog.
De reclassering heeft gebruik gemaakt van het ASR-wegingskader. Hieruit blijkt dat het jeugdstrafrecht geïndiceerd is. Daarom wordt toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering geadviseerd.
Toepassing ASR
De verdachte was 18 jaar oud toen hij de strafbare feiten pleegde. Gelet op de persoonlijkheid van de verdachte zoals blijkt uit de hiervoor beschreven rapporten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een vrijheidsstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een jeugddetentie van 180 dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf wordt een gedeelte, groot 63 dagen, voorwaardelijk opgelegd, zodat de verdachte zo snel mogelijk terug naar huis kan en, met hulp van de jeugdreclassering, aan zichzelf kan gaan werken. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De rechtbank volgt de reclassering die het risico op recidive gemiddeld tot hoog inschat. Zij is dan ook van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de te stellen voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank zal daarom bevelen dat die voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

5.Vordering tot tenuitvoerlegging

5.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 60 uur, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
De bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 46, 46a, 47, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3.1 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot
jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de jeugddetentie, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
63 (drieënzestig) dagen van de jeugddetentieniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de verdachte werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering en meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;
2. de verdachte laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na het ingaan van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
3. de verdachte laat zich begeleiden door Urban Skillsz of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start na het ingaan van de proeftijd. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
4. de verdachte moet zich gedurende de periode van het toezicht bevinden op [adres verdachte] , [postcode] [woonplaats] . Daarbij heeft hij een aaneengesloten blok van 12 respectievelijk 15 uur ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby’s, school, werk, behandeling), zoals met de William Schrikker Stichting wordt afgesproken. Als de William Schrikker Stichting het noodzakelijk acht om voor een doelmatige uitvoering van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden de periode, tijd of locatie aan te passen dan zal zij hierover overleggen met de opdrachtgever. Het locatiegebod zal worden gecontroleerd door middel van een elektronisch monitoringmiddel. De aansluiting van het elektronisch monitoringmiddel zal plaatsvinden op het verblijfadres [adres verdachte] in [woonplaats] ;
5. de verdachte moet zich gedurende de gehele toezicht inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, opleiding en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting, voor de genoemde periode of zoveel korter als de William Schrikker Stichting dat nodig vindt. De William Schrikker Stichting kan met de GPS- gegevens van het elektronisch toezicht zien of de verdachte zich houdt aan afspraken over de dagbesteding;
geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de genoemde voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie;
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf van
60 (zestig) uursubsidiair
30 (dertig) dagenvervangende jeugddetentie, zoals opgelegd in het vonnis van 3 september 2024 (parketnummer 10-195412-24).

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter, en mrs. A.P. Hameete en J.A. Terstegge, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 december 2025.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers van de bijlagen bij het zaaksdossier ONTARIO met nummer [dossiernummer] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 10 december 2025.
3.Pagina 1 e.v. van de bijlagen bij het hiervoor vermelde zaaksdossier.
4.Pagina 3 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.
5.Pagina 16 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.
6.Pagina 29 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.
7.Pagina 51 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.
8.Pagina 69 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.
9.Pagina 102 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.
10.Pagina 115 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.
11.Pagina 137 e.v. van de bijlagen bij het zaaksdossier.