In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiser], een voormalig directeur van GRM Expertise B.V., en de gedaagden Newco H B.V. en Bfamily B.V. [eiser] vorderde de schorsing en matiging van een non-concurrentiebeding dat was opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst, na zijn ontslag als directeur en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. De rechtbank oordeelde dat [eiser] een spoedeisend belang had bij zijn vorderingen, aangezien de termijn van het non-concurrentiebeding al was aangevangen. De rechtbank overwoog dat GRM ernstig verwijtbaar had gehandeld door [eiser] te ontslaan, wat leidde tot de vernietiging van het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. Echter, de rechtbank oordeelde dat het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst niet op dezelfde wijze behandeld kon worden, omdat deze overeenkomsten apart van elkaar waren gesloten. De voorzieningenrechter matigde het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst tot een periode van één jaar, te rekenen vanaf de overdracht van de aandelen op 5 augustus 2025. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten droeg.