Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[verweerder 1] B.V.,
2.
[verweerder 2] B.V.,
3.
[verweerder 3] B.V.,
1.De procedure
2.De feiten
Het is de werknemer verboden zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende 24 maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, direct of indirect in dienst te treden bij of op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor een onderneming die gelijke of gelijksoortige diensten verleent als werkgever doet, of voor eigen rekening gelijke of gelijksoortige werkzaamheden te verrichten.”
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
Dhr. [verzoeker] heeft in mei 2025 zowel mondeling als schriftelijk zelf aangegeven [verweerder 1] te gaan verlaten, omdat hij voor zichzelf geen rol meer ziet als directeur en ook niet in een andere functie binnen [verweerder 1] . Vervolgens zijn partijen onderhandelingen gestart over zijn voorgenomen vertrek. Voorstellen zijn uitgewisseld waarbij het vertrouwen wederom werd geschaad toen dhr. [verzoeker] enerzijds terugkwam op het notabene door hemzelf gedane voorstel inzake concurrentie en relatiebedingen (bv. Het medewerkersbeding toch weer terug van 24 naar 12 maanden, en van 2 maanden doorbetaling naar 3 maanden) en anderzijds berichten stuurde met ‘laat maar escaleren’ en ‘breng het dan maar voor de rechter’. Met name de wens tot inperking van de bedingen die willens en wetens zijn overeengekomen, schaden het vertrouwen in de goede intenties van dhr. [verzoeker] nog meer, te meer omdat dhr. [verzoeker] initieel aangaf niet in het vaarwater van [verweerder 1] te gaan zitten en de medewerkers bedingen volledig begreep en voor hem niet belangrijk waren.
Ik heb aangegeven dat het mij beter lijkt als ik buiten [verweerder 1] ga kijken naar een andere werkgever/functie. Jij gaf aan dat jij dit snapt en bereid bent om mee te denken aan een vriendelijke oplossing die voor beide partijen goed is. Een andere functie binnen [verweerder 1] ligt niet voor de hand mede gezien mijn huidige rol als directeur.”