ECLI:NL:RBROT:2025:15020

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/5639
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling

Deze uitspraak betreft een beroep van eiser tegen een maatregel opgelegd door het UWV op grond van de Ziektewet (ZW), waarbij zijn ZW-uitkering niet wordt uitbetaald. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 29 december 2025 geoordeeld dat het beroep ongegrond is. De zaak begon met een primair besluit van het UWV op 30 januari 2025, waarin werd vastgesteld dat eiser recht had op een ZW-uitkering, maar dat deze niet werd uitbetaald. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het UWV handhaafde zijn standpunt in het bestreden besluit van 10 juni 2025. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld, waarop het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 1 december 2025, waarbij ook de werkgever van eiser als derde-partij betrokken was. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd door tijdens ziekte ontslag te nemen, wat leidt tot een blijvende weigering van de uitkering. De rechtbank heeft geen dringende redenen gevonden om van de maatregel af te zien en heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5639

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit Rotterdam, eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam 1]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam werkgever], uit Dordrecht, de werkgever
(gemachtigde: mr. L. van der Wijngaart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde maatregel op grond van de Ziektewet (ZW). Eisers ZW-uitkering wordt daarmee niet uitbetaald. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het primaire besluit van 30 januari 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser recht heeft op een ZW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald. Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV daarbij gebleven. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
4. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. Op 29 september 2025 heeft eiser gereageerd op het verweerschrift.
6. Op 30 september 2025 heeft [naam 2] zich namens de werkgever gemeld als derde-partij bij deze beroepsprocedure.
7. Op 12 oktober 2025 heeft eiser schriftelijk onder meer laten weten geen toestemming te willen verlenen voor inzage in de processtukken door de werkgever.
8. De rechtbank constateert dat het niet mogelijk is om inzage in het gehele procesdossier te beperken voor een derde-partij. De rechtbank heeft de reactie van eiser van 12 oktober 2025 opgevat als het niet verlenen van toestemming voor inzage in medische stukken, als bedoeld in artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9. Op 16 oktober 2025 heeft het UWV een aanvullend verweerschrift ingediend.
10. Op 10 november 2025 heeft eiser de rechtbank verzocht het beroep schriftelijk af te doen.
11. Op 11 november 2025 heeft eiser ter informatie nogmaals zijn berichten van 29 september, 12 oktober en 10 november 2025 per e-mail ingediend.
12. De rechtbank heeft eisers verzoek van 10 november 2025 op 12 november 2025 schriftelijk afgewezen, omdat de behandeling van het beroep inmiddels op de zitting van 1 december 2025 gepland staat.
13. Op 13 november 2025 heeft mr. L. van der Wijngaart zich gesteld als gemachtigde namens de werkgever.
14. Bij beslissing van 14 november 2025 heeft de rechtbank bepaald [1] dat de werkgever en [naam 2] geen inzage krijgen in de in deze procedure overgelegde medische stukken van eiser. Bij het nemen van deze beslissing was de rechtbank niet bekend met het stellen van mr. L. van der Wijngaart als gemachtigde namens de werkgever.
15. Bij beslissing van 18 november 2025 heeft de rechtbank bepaald dat (slechts) gemachtigde mr. L. van der Wijngaart namens de werkgever inzage krijgt in de in deze procedure overgelegde medische stukken van eiser. De gemachtigde van de werkgever heeft daarbij een geheimhoudingsplicht van de medische stukken tegenover de werkgever.
16. Op 24 november 2025 heeft eiser een nader stuk ingediend.
17. Op 25 november 2025 heeft de werkgever gereageerd op eisers beroep.
18. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 in het kader van de pilot Wijkrechtspraak op Zuid op de locatie ‘Huis van de Wijk’ aan de [adres] behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van de werkgever. Namens de werkgever is ook [naam 2] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

19. Eiser was in dienst bij de werkgever toen hij zich op 13 augustus 2024 ziek heeft gemeld. Op 30 december 2024 heeft eiser ontslag genomen en is daarmee uit dienst getreden. Het UWV heeft in het primaire besluit (wat in het bestreden besluit in stand is gebleven) bepaald dat eiser per die datum recht heeft op een ZW-uitkering. Het staat niet ter discussie dat eiser ziek was ten tijde van de uitdiensttreding. Volgens het UWV was wel sprake van een benadelingshandeling en heeft eiser verwijtbaar gehandeld, omdat hij op dat moment zelf uit dienst is getreden. Eisers ZW-uitkering komt daarom niet tot uitbetaling. Volgens het UWV is ook geen sprake van een dringende reden op grond waarvan anders moet worden geoordeeld.
Waar gaat het om in deze zaak?
20. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft bepaald dat eisers ZW-uitkering niet tot uitbetaling komt vanwege een benadelingshandeling. Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
21. Volgens vaste rechtspraak [2] is sprake van een benadelingshandeling in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd.
22. Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser op 30 december 2024, tijdens ziekte, ontslag heeft genomen bij de werkgever. Dit levert op zichzelf een benadelingshandeling op in de zin van de ZW, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder j, van de ZW. Het UWV heeft hierbij geen rekening hoeven houden met de situatie voor en rondom eisers ontslag. Dit betekent dat het UWV terecht het ontstane arbeidsconflict tussen eiser en de werkgever niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of het ontslag van eiser aan te merken is als een benadelingshandeling.
Op basis van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten leidt deze benadelingshandeling tot een blijvend gehele weigering van de uitkering. Dit kan alleen anders zijn, indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet alleen vanwege het handelen van de werkgever, maar ook om medische redenen genoodzaakt was ontslag te nemen. Het UWV heeft hierin tijdens de bezwaarprocedure aanleiding gezien om medisch onderzoek te laten verrichten door een verzekeringsarts om te beoordelen of eiser verminderd verwijtbaar was toen hij ontslag nam. Eiser is op 11 maart 2025 schriftelijk uitgenodigd om te verschijnen op een medisch spreekuur. Daarnaast is eiser in dezelfde brief uitgenodigd om zijn bezwaren nader toe te lichten op een hoorzitting. Eiser heeft in zijn schriftelijke reactie van 18 maart 2025 medegedeeld van beide af te zien. Eiser heeft weliswaar toegelicht waarom hij niet naar het spreekuur wilde komen, dit heeft echter wel als gevolg dat het UWV geen rekening heeft kunnen houden met eventuele medische omstandigheden. Daar komt bij dat eiser zowel in bezwaar als in beroep zelf ook geen (nadere) medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij verminderd verwijtbaar was op het moment dat hij ontslag nam. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige, zoals door eiser is verzocht. Een deskundige kan worden benoemd in het geval een medisch oordeel is gegeven waarover twijfel bestaat. In deze zaak is echter geen sprake van een gegeven medisch oordeel.
Het is verder niet gebleken dat het UWV niet alle voor het beroep relevante stukken zou hebben overgelegd, dan wel een onvolledig beeld zou hebben gehad van de relevante feiten en omstandigheden. Gelet op de beschikbare informatie uit het dossier heeft het UWV in redelijkheid het standpunt mogen innemen dat eiser niet verminderd verwijtbaar was ten tijde van zijn ontslag tijdens ziekte.
23. Vervolgens dient te worden beoordeeld of een dringende reden bestaat om af te zien van een maatregel. [3] De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het UWV van het opleggen van de maatregel had kunnen afzien. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de maatregel tot weigering van de uitbetaling van de ZW-uitkering in dit geval disproportioneel en onevenredig zou zijn.

Conclusie en gevolgen

24. Het UWV heeft terecht bepaald dat eisers ZW-uitkering niet tot uitbetaling komt. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
de rechter is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Ziektewet
Artikel 45
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend:
(…)
j. indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, en 49;
(…)
4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2. Hoogte en duur van een maatregel
1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:
(…)
d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is; of
(…)
Artikel 7. Vierde categorie
De verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met h, genoemde wetten, worden ingedeeld in de vierde categorie voor zover zij betrekking hebben op:
a. het zich zodanig gedragen dat de belanghebbende door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas, de eigenrisicodrager of het Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen, bedoeld in de artikelen 24, vijfde lid, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW en 13, eerste lid, van de IOW;
(…)

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2290.
3.Zie artikel 45, vierde lid, van de ZW.