ECLI:NL:RBROT:2025:15010

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/1641
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtszaak over recht op kinderbijslag op basis van de Algemene Kinderbijslagwet

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 30 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen het besluit van de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank behandeld. Eiseres, die in Rotterdam woont, is het niet eens met de toekenning van kinderbijslag en stelt dat zij recht heeft op kinderbijslag voor haar kinderen over de periode van het derde kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) en de argumenten die eiseres aanvoert. Eiseres heeft op 20 maart 2024 een aanvraag voor kinderbijslag ingediend, maar de rechtbank oordeelt dat de ex-partner van eiseres, die de kinderbijslag voor de kinderen ontving, in de relevante periode aan de onderhoudseis voldeed. De rechtbank concludeert dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag voor de genoemde periode, omdat zij niet eerder dan 20 maart 2024 een aanvraag heeft ingediend. De rechtbank wijst het beroep van eiseres af, waardoor zij geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond wordt verklaard. Eiseres krijgt geen terugbetaling van griffierecht en geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw). Eiseres is het niet eens met de periode waarvoor aan haar kinderbijslag is toegekend. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het recht van eiseres op kinderbijslag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Verweerder heeft aan eiseres met het primaire besluit van 18 juni 2024 kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2024. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. G. Arslan als waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres had een affectieve relatie met [naam 1] (ex-partner). Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren: [naam 2] en [naam 3]. De ex-partner van eiseres was de ontvanger van de kinderbijslag voor [naam 2] en [naam 3]. Eiseres heeft op 20 maart 2024 kinderbijslag aangevraagd voor [naam 2] en [naam 3]. Met het primaire besluit is aan eiseres kinderbijslag toegekend met ingang van het tweede kwartaal van 2024.
4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de ex-partner van eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode van juli 2023 tot en met maart 2024 in voldoende mate in het onderhoud van [naam 2] en [naam 3] heeft voorzien. Omdat de ex-partner voldoet aan de onderhoudseis en eiseres niet eerder dan 20 maart 2024 een aanvraag heeft ingediend, behoudt de ex-partner over deze periode het recht op kinderbijslag. Eiseres heeft volgens verweerder daarom geen recht op kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2023, maar pas vanaf het tweede kwartaal van 2024.

Beoordeling door de rechtbank

5. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt eiseres
6. Eiseres betoogt dat zij vanaf het derde kwartaal van 2023 recht heeft op kinderbijslag, omdat [naam 2] en [naam 3] sinds maart 2023 hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben en eiseres en de kinderen sindsdien samen een huishouden voeren. Daarnaast betwist eiseres dat haar ex-partner voldoet aan de onderhoudseis. Volgens eiseres heeft zij alle kosten van de kinderen gedragen vanaf het moment dat zij bij haar wonen. De ex-partner heeft ook niet de huur van de woning waarin zij en de kinderen verbleven betaald, omdat eiseres haar ex-partner voor dit verblijf terugbetaalde, aldus eiseres. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
Hoorplicht in bezwaar
7. Niet is gebleken dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen kan worden afgezien als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Bij de ontvangstbevestiging van 2 augustus 2024 heeft verweerder een ‘Aanvraagformulier hoorgesprek’ aan de gemachtigde van eiseres gestuurd. Hierop staat vermeld dat eiseres per formulier of telefonisch kan laten weten of zij het bezwaar mondeling wil toelichten en dat verweerder het bezwaarschrift zonder gesprek zal behandelen als eiseres niet reageert. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat eiseres het antwoordformulier heeft teruggestuurd of dat zij op een andere manier kenbaar heeft gemaakt te willen worden gehoord. Verweerder heeft daarom kunnen afzien van het horen van eiseres. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Kinderbijslag
8. De rechtbank stelt vast dat de periode in geding zich beperkt tot het derde kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024. Beoordeeld dient te worden of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres over de periode in geding geen aanspraak had op kinderbijslag voor [naam 2] en [naam 3], omdat de ex-partner [naam 2] en [naam 3] in deze periode in voldoende mate heeft onderhouden.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) dient een verzekerde op een door de verweerder eenvoudig te controleren wijze – met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de persoon die het kind verzorgt dan wel ten name van de kinderen zelf – aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij aan de onderhoudseis heeft voldaan (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3110).
10. De beroepsgrond van eiseres dat alleen zij de onderhoudskosten voor de kinderen heeft gedragen vanaf het derde kwartaal van 2023 slaagt niet. De door eiseres in beroep ter onderbouwing van haar standpunt aangeleverde stukken zijn hiervoor onvoldoende. Uit de afspraken die eiseres en haar ex-partner hebben vastgelegd rondom de huisvesting blijkt dat eiseres en de kinderen vanaf 13 juli 2023 in de kamer van de ex-partner verbleven. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat eiseres, zoals zij stelt, de huur voor deze kamer heeft betaald. Het door eiseres overgelegde bankafschrift is daartoe onvoldoende. Het bankafschrift ziet namelijk enkel op een eenmalige betaling op 6 december 2023 en hieruit blijkt niet dat eiseres de kamer al vanaf het derde kwartaal van 2023 betaalde. Ook voor het overige is uit de stukken niet gebleken dat verweerder niet heeft mogen concluderen dat de ex-partner in de periode in geding aan de onderhoudseis heeft voldaan.
11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op grond van artikel 18, zesde lid, van de Akw terecht geoordeeld dat eiseres over het derde kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:2, eerste lid, bepaalt dat een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord, voordat het op het bezwaar beslist.
Artikel 7:3 bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is, de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Algemene Kinderbijslagwet
Artikel 7, eerste lid, bepaalt dat de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat:
a. tot zijn huishouden behoort, of
b. door hem wordt onderhouden.
Artikel 18, vierde lid, bepaalt dat indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet wordt betaald.
Artikel 18, zesde lid, bepaalt dat zolang de persoon aan wie op grond van het vierde of vijfde lid kinderbijslag zou moeten worden betaald geen aanvraag daartoe heeft ingediend, de kinderbijslag, in afwijking van het vierde en vijfde lid, betaald blijft worden aan de persoon die daartoe wel een aanvraag heeft ingediend. Indien de persoon die geen aanvraag heeft ingediend, alsnog een aanvraag indient, wordt de kinderbijslag aan die persoon betaald:
a. na afloop van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de eerste twee maanden van dat kalenderkwartaal; of
b. na afloop van het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de laatste maand van dat kalenderkwartaal.