Appellant ontving kinderbijslag voor zijn kind dat in Marokko woont bij de ex-echtgenote. De Svb beëindigde de kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2015 omdat appellant niet voldeed aan de onderhoudseis van minimaal €416 per kwartaal. Appellant overhandigde verklaringen van een Marokkaanse advocaat als bewijs van betalingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de verklaringen niet voldeden aan de eis van eenvoudige controleerbaarheid en er geen bewijs was voor het derde kwartaal van 2016. In hoger beroep stelde appellant dat vanwege het ontbreken van een bankrekening bij de ex-echtgenote bankoverschrijvingen niet mogelijk waren.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van de advocaat niet voldoen aan de eis van eenvoudige controleerbaarheid en dat de weigering van een bankrekening geen uitzonderlijke omstandigheid vormt die afwijking rechtvaardigt. Wel erkende de Raad op grond van het vertrouwensbeginsel dat kinderbijslag alsnog toegekend kan worden over het vierde kwartaal van 2015 en het tweede kwartaal van 2016, omdat de Svb eerder dergelijke verklaringen als bewijs accepteerde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van 19 juli 2016 voor deze twee kwartalen en bepaalde dat appellant recht heeft op kinderbijslag over deze perioden. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.