ECLI:NL:RBROT:2025:14656

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/9741
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd aan slachthuis wegens kruiscontaminatie van karkassen tijdens postmortemkeuring

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over een opgelegde boete van € 2.500 aan een slachthuis. De boete werd opgelegd door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, omdat het slachthuis in strijd had gehandeld met de hygiënevoorschriften van Verordening 853/2004. De overtreding bestond uit het feit dat karkassen, die nog niet waren goedgekeurd tijdens de postmortemkeuring, met elkaar in aanraking kwamen, wat leidde tot kruiscontaminatie. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had vastgesteld dat het slachthuis de overtreding had begaan en dat de opgelegde boete rechtmatig was. Eiseres, het slachthuis, had verschillende beroepsgronden aangevoerd, waaronder de onjuistheid van de naam waaronder de boete was opgelegd en het ontbreken van rechtsbijstand. De rechtbank verwierp deze gronden en concludeerde dat de boete proportioneel was en dat er geen aanleiding was voor matiging. De uitspraak bevestigde de noodzaak voor strikte naleving van de hygiënevoorschriften in de voedselverwerking.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500,- die verweerder met het besluit van 10 mei 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1 Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Met voorafgaande kennisgeving is namens eiseres niemand verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 6 maart 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.

Datum en tijdstip van de bevinding: 8 augustus 2023 omstreeks 10:00 uur.
In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam], functie: MT lid.
Tijdens het uitvoeren van een systeem-inspectie uitsnijderijen bij [eiseres], bevond ik mij omstreeks 10.00 uur in de slachthal van bovengenoemd bedrijf, waar ik onderstaande overtreding zag.
Ik zag dat diverse bezoedelde varkens opknap-karkassen werden uitgeraild en vervolgens tegen andere opknap-karkassen aan komen. Op de keurpositie is het mogelijk dat als er nog een opknaphandeling gedaan moet worden deze varkens karkassen uitgeraild kunnen worden naar een opknapbaan. Daar kan een medewerker van het slachthuis de opknaphandeling uitvoeren. Deze opknaphandeling moet daarna worden gecontroleerd door de officiële assistent. Tot na deze controle is de PM-keuring nog niet afgerond.
Ik zag dat varkens karkassen die opgeknapt moesten worden en nog geen afgeronde PM-keuring hadden ondergaan tegen elkaar aankwamen op de uitrailbaan. Ik zag dat hierdoor sprake was van kruiscontaminatie.
Ik zag dat, voordat de postmortemkeuring was voltooid, delen van een geslacht dier dat nog aan keuring was onderworpen in aanraking kwam met een ander karkas.
Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onder punt 13 onder b van Verordening (EG) nr. 853/2004 juncto artikel 3 lid 1 van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder d van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren.
Ik merkte op dat er geen persoon beschikbaar was van bedrijf [eiseres] zelf om de overtreding te herstellen. Er was geen chef slachthal aanwezig/ingepland.
In het bedrijfsproces van [eiseres] is het zo ingeregeld dat er een chef slachthal aanwezig is. Deze persoon heeft de rol dat als het slachtproces niet correct verloopt hij ingrijpt en instructies geeft om het (hygiënisch) slachtproces weer correct te laten verlopen.
Deze bevindingen worden [eiseres] aangerekend.
[…]
Ik bracht [naam], als MT lid van [eiseres], van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan. Het rapport is tevens aangezegd per e-mail, zie bijlage aanzegging rapport per e-mail 08-08-2023.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De exploitant van een slachthuis heeft er niet voor gezorgd dat - zolang de postmortemkeuring niet is voltooid - de delen van een geslacht dier dat aan die keuring wordt onderworpen, geen van die delen in aanraking komen met een ander karkas.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie I, Hoofdstuk IV, punt 13, onder b, van Verordening 853/2004 [1] . Verweerde heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500,-. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.

Beoordeling door de rechtbank

4.. Eiseres voert aan dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres handhaaft haar zienswijze en bezwaargronden. De zienswijze omvatte een gemotiveerde betwisting van de inhoud van het rapport en is ten onrechte niet aan de toezichthouder voorgelegd. Eiseres betwist de overtreding te hebben begaan. Verder voert eiseres aan dat vanaf het voornemen de cautie niet meer is gegeven en dat evenmin is gewezen op het recht op rechtsbijstand [2] . Ook is de tenaamstelling van de beschikking niet juist en daarom moet verweerder een nieuw besluit nemen. Verweerder is al een half jaar lang bekend met [nieuwe naam eiseres], maar blijft in onjuistheden volharden; [oude naam eiseres] bestaat niet meer. Ook stelt eiseres dat verweerder niet bij het bestreden besluit alsnog allerlei bijlagen kan voegen, die stukken hadden reeds bij het voornemen onderdeel van het dossier moeten vormen. Ten slotte wijst eiseres erop dat tussen het gestelde feit en het boetebesluit meer dan negen maanden is gelegen en dat verweerder op grond van het eigen beleid daarom de boete met 10 % had moeten matigen [3] .
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [4] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de in het rapport beschreven bevindingen te twijfelen. De toezichthouder heeft in het rapport duidelijk beschreven wat hij in de slachthaal heeft waargenomen, namelijk dat diverse bezoedelde varkenskarkassen tegen andere varkenskarkassen aankwamen. Ook heeft de toezichthouder beschreven dat de karkassen die tegen elkaar aankwamen nog moesten worden opgeknapt en dat de PM-keuring van deze karkassen dus nog niet was afgerond. De enkele betwisting van de overtreding door eiseres biedt geen reden voor twijfel aan het rapport van bevindingen. Ook de door eiseres in de zienswijze gestelde vragen bieden daarvoor geen grond. Eiseres vraagt zich in de zienswijze af om welke karkassen het gaat en vanaf waar de toezichthouder het heeft waargenomen, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte deze vragen of de zienswijze niet meer aan de toezichthouder voorgelegd. Het rapport van bevindingen bevat namelijk voldoende informatie om de overtreding te kunnen vaststellen. Op grond van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 13, aanhef en onder b, van Verordening 853/2004 mag, zolang de postmortemkeuring niet is voltooid, geen van de delen van een geslacht dier in aanraking komen met een ander karkas. Uit het rapport van bevindingen blijkt duidelijk dat dit bij eiseres wel het geval was. Verweerder heeft dan ook terecht de overtreding vastgesteld.
4.3.
Het betoog dat ten onrechte niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand en dat ten onrechte niet de cautie is gegeven, slaagt niet. Uit het rapport van bevindingen blijkt namelijk niet dat de toezichthouder personen heeft verhoord als bedoeld in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch dat medewerkers van eiseres verklaringen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de gestelde overtredingen hebben afgelegd. [5] Ook is niet gebleken dat nadien nog personeel van eiseres is gehoord. Wel heeft een hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden, maar daarbij was alleen de gemachtigde van eiseres aanwezig.
4.4.
De omstandigheid dat verweerder het bestreden besluit aan [oude naam eiseres] heeft gericht, biedt geen grond om het besluit onjuist te achten. Ten tijde van de overtreding droeg eiseres namelijk deze naam. Naderhand heeft zij haar naam gewijzigd in [nieuwe naam eiseres], maar niet is gebleken dat ook sprake was van een andere onderneming. Ook is niet gebleken dat eiseres in haar verdediging is geschaad door de stukken die verweerder bij het bestreden besluit heeft overgelegd. Dit betreft namelijk een verslag van de hoorzitting in bezwaar, waar de gemachtigde van eiseres bij aanwezig was, en die verweerder eerst na die hoorzitting (en dus niet al bij het voornemen) kon overleggen, en verder twee eerdere schriftelijke waarschuwingen die verweerder heeft overgelegd in reactie op het betoog van eiseres in bezwaar dat er voor onderhavige overtreding eerst had moeten worden gewaarschuwd. Overigens zouden deze waarschuwingen eiseres reeds bekend moeten zijn geweest.
4.5.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan en dat verweerder bevoegd [6] was om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 2.500,-. Deze boete heeft verweerder ook aan eiseres opgelegd. De rechtbank vindt deze boete voor deze overtreding op zichzelf niet onredelijk.
4.6.
Het beroep van eiseres op het interne matigingsbeleid van verweerder slaagt niet. Dit interne beleid houdt in dat als een overtreder langer dan zeven maanden na de geconstateerde overtreding hiervan op de hoogte is gebracht, de boete met 10% wordt gematigd. In dit geval is de overtreding op 8 augustus 2023 geconstateerd en is blijkens het rapport van bevindingen direct iemand van het management van eiseres mondeling op de hoogte gesteld en is diezelfde dag eiseres ook per e-mail een aanzegging gestuurd. Van lang tijdsverloop tussen de overtreding en het op de hoogte brengen daarvan is dus geen sprake. Evenmin is sprake van een te lang tijdsverloop tussen het rapport van bevindingen en het boetbesluit. Op grond van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb dient het boetebesluit binnen dertien weken na het opstellen van het boeterapport te worden genomen en daaraan is in dit geval voldaan. Ook overigens ziet de rechtbank in het tijdsverloop in deze zaak geen reden voor matiging. Evenmin is de rechtbank gebleken van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan het boetebedrag had moeten worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boete in dit geval evenredig

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is dus ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening 853/2004

Artikel 3, eerste lid

1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.
Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 13, aanhef en onder b
13. Zolang de postmortemkeuring niet is voltooid, moet van de delen van een geslacht dier dat aan die keuring wordt onderworpen:
a. a) op elk moment kunnen worden bepaald bij welk karkas zij horen; en
b) mag geen van die delen in aanraking komen met een ander karkas, met slachtafval of met ingewanden, met inbegrip van die waarop al een postmortemkeuring is uitgevoerd.
[…]

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

Regeling houders van dieren

Artikel 2.4, eerste lid, onder d

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2.500;
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling dierlijke bijproducten Categorie
Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d 3

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
2.Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 2024
3.Eiseres verwijst naar ROT 22/1732, ECLI:NL:RBROT:2023:9460 (r.o. 6.5)
5.Vergelijk ECLI:NL:CBB:2025:335 (r.o. 6.3)
6.Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, en artikel 8.6 van de Wet dieren en artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten