ECLI:NL:RBROT:2025:14628
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- F.P. Heijne
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens rijden onder invloed
De zaak betreft de intrekking van de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden door verzoeker op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). De intrekking volgde nadat verzoeker op 1 februari 2025 werd verdacht van rijden onder invloed van cocaïne en alcohol, met bloedwaarden die de wettelijke grenswaarden overschreden.
Verzoeker maakte bezwaar tegen de intrekking en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij zijn werkzaamheden kon voortzetten totdat op het bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang niet voldoende was aangetoond, mede omdat een financieel belang in beginsel onvoldoende is en verzoeker geen financiële noodsituatie aannemelijk maakte.
Daarnaast werd overwogen dat het niet evident onrechtmatig was om de toestemming in te trekken, gezien de ernst van de feiten en de betrouwbaarheidseisen voor beveiligers. De rechtbank verwachtte dat de intrekking in bezwaar stand zou houden.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.