ECLI:NL:RBROT:2025:14591

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/556
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIAArt. 7:3 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Eiseres, die zich ziek meldde vanwege gezondheidsklachten en aanvankelijk een WGA-uitkering ontving, werd door het UWV per 3 februari 2023 als minder dan 35% arbeidsongeschikt beoordeeld, waardoor zij geen recht meer had op een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank beoordeelde of het UWV op juiste gronden bij deze weigering was gebleven.

De rechtbank stelde vast dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, hoewel zonder spreekuurcontact in bezwaar, voldoende was gemotiveerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts had toegelicht waarom een spreekuurcontact niet noodzakelijk was, mede omdat het een retrospectief oordeel betrof en eerdere onderzoeken waren verricht. De medische beoordeling was zorgvuldig en in lijn met de MAOC-richtlijn, waarbij de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld.

De arbeidsdeskundige beoordeling concludeerde dat eiseres geschikt was voor enkele functies met een verdiencapaciteit van meer dan 65% van haar oorspronkelijke loon, wat uitsluit dat zij recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, met een proceskostenvergoeding van €907,- aan eiseres wegens het niet verschijnen van de gemachtigde van het UWV bij de eerste zitting.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit Vlaardingen, eiseres

(gemachtigde: mr. W.C. de Jonge),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).

Procesverloop

Met het besluit van 6 juni 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV overwogen dat eiseres geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat eiseres per 3 februari 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Met het besluit van 12 december 2023 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft hiertegen op 10 januari 2024 beroep ingesteld.
Het UWV heeft op 31 januari 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Op 25 maart 2024, 10 oktober 2024 en 15 januari 2025 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden met bijlagen ingediend.
De rechtbank was voornemens het beroep op 30 januari 2025 op zitting te behandelen. Ter zitting zijn eiseres en haar gemachtigde verschenen. De gemachtigde van het UWV is abusievelijk niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting vervolgens geschorst.
Het UWV heeft op 2 mei 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verzocht of zij instemmen met het achterwege laten van een nadere zitting. Omdat eiseres hiermee niet onvoorwaardelijk heeft ingestemd, heeft de rechtbank besloten een nadere zitting te houden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 27 november 2025 hervat. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1.1.
Eiseres, laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerker voor gemiddeld 11,83 uur
per week, heeft zich op 24 mei 2018 ziek gemeld voor dit werk vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Na het doorlopen van de wachttijd is aan eiseres per 21 mei 2020 een loongerelateerde WGA [1] -uitkering toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.2.
Met het besluit van 17 december 2021 heeft het UWV besloten dat de
loongerelateerde WGA-uitkering van eiseres per 21 februari 2022 wordt omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. Tegen dit besluit heeft de (ex-)werkgever van eiseres bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het besluit van 18 november 2022 heeft het UWV het bezwaar gegrond
verklaard en besloten dat eiseres per 31 december 2022 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daaropvolgend wordt per 1 januari 2023 aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
2.
2.1.
Eiseres heeft zich op 3 februari 2023 ziek gemeld vanwege toegenomen klachten.
Dit heeft ertoe geleid dat het UWV (ambtshalve) het recht op een WIA-uitkering opnieuw heeft beoordeeld.
2.2.
In het kader van de herbeoordeling heeft er een verzekeringsgeneeskundig en
arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De arts, van wie het oordeel is getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, heeft eiseres op 20 februari 2023 op het spreekuur gezien en heeft op 24 februari 2023 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 3 februari 2023. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 1 juni 2023, met inachtneming van de beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat eiseres niet geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel geschikt is voor de functies Productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), Telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) (SBC-code 315174) en Administratie ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Aanvullend wordt eiseres geschikt geacht voor de functie Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030). Het loon dat eiseres met de middelste van de eerste drie functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 24,02% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen en daarin bepaald dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering.
2.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar
en beroep in de rapportage van 31 oktober 2023 geconcludeerd dat de door eiseres ingebrachte medische bezwaren en informatie geen aanleiding geven om te stellen dat de belastbaarheid per 3 februari 2023 (datum in geding), zoals weergegeven in de FML van 24 februari 2023, naar medisch objectieve maatstaven gemeten, overschat zou zijn.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 30 november 2023 geconcludeerd dat aanleiding bestaat om gedeeltelijk af te wijken van het oordeel van de primaire arbeidsdeskundige. De primaire arbeidsdeskundige is per abuis uitgegaan van de geduide functies als maatgevende arbeid, maar volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de maatgevende arbeid: verkoopmedewerker. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overwogen dat de functie Medewerker KCC (oftewel: Telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound)) moet worden verworpen, omdat eiseres is aangewezen op regelmatige werktijden en dat vanwege het werken volgens een 26-wekenrooster (met diensten in de ochtend, middag en avond) binnen deze functie niet gewaarborgd kan worden. De overige primair geduide functies acht de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wel geschikt voor eiseres. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

3. Eiseres verwijst allereerst naar hetgeen is aangevoerd in bezwaar en voegt daar in
beroep – kort samengevat – aan toe dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek ontoereikend is geweest en dat het bestreden besluit op onvoldoende medische en arbeidsdeskundige grondslag is gebaseerd. Volgens eiseres is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig uitgevoerd, omdat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden en geen sprake is geweest van een spreekuurcontact door een geregistreerd verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van een spreekuurcontact is afgezien. Eiseres stelt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dus meer beperkt is dan het UWV heeft aangenomen, dat niet alle klachten heeft onderkend. De neuroloog heeft beschreven dat de klachten van eiseres passen bij een functionele neurologische stoornis. Eiseres stelt dat het in strijd is met het Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC) dat de gevolgen van een stoornis op voorhand niet beoordeeld worden en niet vertaald worden naar de FML omdat er geen objectieve afwijking is gevonden, hetgeen ook bij eiseres het geval is. Toepassing van een finale benadering in plaats van een causale benadering zou tot meer beperkingen in de FML hebben geleid. Bovendien is een urenbeperking van 25 uur aangenomen, maar daarbij is geen rekening gehouden met de gegevens van de behandelaars die stellen dat de belastbaarheid van eiseres zeer beperkt is. Er is daardoor onvoldoende rekening gehouden met de belastbaarheid, waardoor de geduide functies in de FML te belastend zijn.

Toepasselijke wet- en regelgeving

4. De voor de beoordeling van het beroep toepasselijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV op juiste gronden is gebleven bij de weigering om eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. Voor zover eiseres in haar beroepschrift verwijst naar hetgeen zij in bezwaar heeft
aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiseres is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiseres zal dus moeten aanvoeren waarom zij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van wat in bezwaar is aangevoerd.
Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7. Eiseres heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Deze beroepsgrond slaagt niet, aangezien het UWV bij brief van 11 juli 2023 aan de gemachtigde van eiseres een kopie van de stukken heeft toegestuurd, haar tot 8 augustus 2023 gelegenheid heeft gegeven om haar bezwaren aan te vullen en haar tevens heeft gevraagd of zij het wil aangeven als zij een hoorzitting wenst: “als u dat niet aangeeft gaan wij ervan uit dat u geen hoorzitting wenst.” Niet gesteld of gebleken is dat namens eiseres binnen de genoemde termijn om een hoorzitting is gevraagd, zodat het UWV op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van eiseres mocht afzien.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat het primaire onderzoek is verricht door een arts,
niet-zijnde een geregistreerde verzekeringsarts. In de rapportage van 24 februari 2023 staat dat het Sociaal Medisch Oordeel is getoetst en akkoord is bevonden door een geregistreerde verzekeringsarts. Uit de medeondertekening is af te leiden dat de verzekeringsarts de verantwoordelijkheid heeft genomen voor het door de arts verrichte medische onderzoek.
8.2.
De rechtbank constateert dat er in bezwaar geen spreekuurcontact heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft slechts dossieronderzoek verricht en heeft daarbij toegelicht waarom van een spreekuurcontact is afgezien. In situaties als het onderhavige, waarin de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist door eiseres en waarin in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, geldt als uitgangspunt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts. Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat, in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. [2]
8.3.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek en
informatie van de behandelend sector. In de rapportage van 31 oktober 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat het bij de herbeoordeling in bezwaar niet noodzakelijk was om een lichamelijk onderzoek te verrichten, omdat zijn oordeel een retrospectief oordeel betreft (de datum in geding was immers 3 februari 2023), eiseres reeds op 20 februari 2023 gezien en onderzocht is door een primair beoordelend arts en zij enkele maanden voor de datum in geding, op 21 oktober 2022, nog is gezien en onderzocht door een collega verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van (onder meer) de beëindiging van de eerdere WIA-uitkering per 31 december 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij vermeld dat het in essentie om dezelfde medische problematiek gaat als waarvoor eiseres eerder is gezien in een voorgaande WIA-procedure, terwijl de bezwaren geen nieuwe of nog niet eerder onderkende medische feiten of omstandigheden aan het licht brengen die een geheel ander licht werpen op de zaak. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat bij de primaire beoordeling per datum in geding in de FML van 24 februari 2023 een verder verminderde psychische, lichamelijke en duurbelastbaarheid zijn aangenomen ten opzichte van de eerder opgestelde FML van 14 juli 2022 in het kader van de voorgaande WIA-procedure, terwijl volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep het in de primaire fase vaststellen van een ongewijzigde belastbaarheid zoals weergegeven in de eerder opgestelde FML op basis van de objectieve onderzoeksbevindingen ook te verdedigen zou zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee voldoende gemotiveerd waarom in dit geval van een spreekuurcontact mocht worden afgezien.
Medische beoordeling
9.
9.1.
Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Anders dan eiseres stelt, is de rechtbank niet gebleken dat de primair beoordelend arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij hun beoordeling een onjuiste toepassing hebben gegeven aan de MAOC-richtlijn. Het is namelijk niet zo dat alle door eiseres geclaimde beperkingen één op één moeten worden overgenomen in de FML. Dat is ook niet wat het MAOC beoogt. [3]
9.2.
Eiseres heeft zich per 3 februari 2023 ziek gemeld vanwege toegenomen psychische klachten, waarbij ook wordt vermeld dat sprake is van een depressie. In de rapportage van 31 oktober 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat door de primair beoordelend arts reeds is aangenomen dat bovenop de al aangenomen beperkingen inderdaad sprake is van een depressie (waarvoor verder geen behandeling is ingesteld) en sprake is van een afname van de fysieke belastbaarheid als gevolg van de toegenomen (psychische) klachten. Deze beperkingen zijn opgenomen in de FML van 24 februari 2023 en zijn daarmee, ten opzichte van de FML van 14 juli 2022 uit de voorgaande WIA-procedure, aangescherpt. Daarbij vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de primair beoordelend arts tijdens het spreekuur op 20 februari 2023 heeft aangegeven dat, afgezien van lichte somberheid, geen bijzonderheden waarneembaar waren. De primaire arts heeft de urenbeperking vanwege de toegenomen klachten, ten opzichte van de voorgaande WIA-procedure, niettemin aangescherpt naar maximaal 5 uur per dag en maximaal 25 uur per week.
9.3.
De stelling van eiseres dat de eerdere urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week (zoals vermeld in de FML van 7 mei 2020) heeft geleid tot een arbeids-ongeschiktheidspercentage van 80-100% en de huidige urenbeperking van maximaal 5 uur per dag en maximaal 25 uur per week daarom ook moet leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, kan de rechtbank niet volgen. Allereerst heeft het UWV in dit verband toegelicht dat de urenbeperking, gelet op de maatmanomvang van 11,83 uur per week, geen reductiefactor oplevert. Voorts gaat de stelling van eiseres eraan voorbij dat eiseres in de FML van 7 mei 2020 ook op een aantal andere punten beperkt werd geacht dan in de FML van 23 februari 2023. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat het UWV er ter zitting op heeft gewezen dat de eerste voor eiseres gunstige beoordeling in het rapport van [naam], arts, van 8 mei 2020 (en de FML van 7 mei 2020) slechts is gebaseerd op telefonisch contact met eiseres, in verband met overheidsmaatregelen vanwege corona. Tevens heeft het UWV er op gewezen dat [naam] geen verzekeringsarts is. Kennelijk is deze arts, aldus het UWV ter zitting, behoorlijk meegegaan met de verklaring van eiseres. Bovendien is een beperking aangenomen op item 4.2 in de FML (lokalisatie beperkingen) en wel tweezijdig, wat gelet op de aard van die beperking wonderlijk is, aangezien die juist bedoeld is om de arbeidsdeskundige te waarschuwen dat één zijde van het lichaam zwakker is, naar navraag bij twee verzekeringsartsen en naslag in het CBBS-handboek heeft geleerd.
9.4.
Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres geen nieuwe, nog niet eerder meegewogen, medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat eiser op 3 februari 2023 meer beperkingen had dan die reeds zijn opgenomen in de FML van 23 februari 2023. Daarbij was het UWV, anders dan de gemachtigde van eiseres heeft willen betogen, niet gehouden om de verschillen met een eerdere FML per 14 mei 2020 te verantwoorden.
Arbeidsdeskundige beoordeling
10. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft zij geen reden om eraan te twijfelen dat de beperkingen in de FML van 23 februari 2023 juist zijn vastgesteld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden en beperkingen van eiseres uit de FML overschrijdt. Om die reden kan hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de geschiktheid van de geduide functies niet slagen, nu dit is gebaseerd op het standpunt dat eiseres minder functionele mogelijkheden heeft dan het UWV heeft aangenomen.
11. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de geduide functies zou kunnen
verdienen met het inkomen dat eiseres in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. Dit betekent dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres met ingang van 3 februari 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten, behoudens 1 punt voor het bijwonen van de zitting van 30 januari 2025 met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1, aangezien het UWV op die zitting abusievelijk niet is verschenen, waardoor een tweede zitting noodzakelijk werd.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. de Bloois, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Voetnoten

1.Werkhervattingsuitkering Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
3.Uitspraak van de Raad van 27 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:600.