ECLI:NL:RBROT:2025:14591
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Eiseres, die zich ziek meldde vanwege gezondheidsklachten en aanvankelijk een WGA-uitkering ontving, werd door het UWV per 3 februari 2023 als minder dan 35% arbeidsongeschikt beoordeeld, waardoor zij geen recht meer had op een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank beoordeelde of het UWV op juiste gronden bij deze weigering was gebleven.
De rechtbank stelde vast dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, hoewel zonder spreekuurcontact in bezwaar, voldoende was gemotiveerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts had toegelicht waarom een spreekuurcontact niet noodzakelijk was, mede omdat het een retrospectief oordeel betrof en eerdere onderzoeken waren verricht. De medische beoordeling was zorgvuldig en in lijn met de MAOC-richtlijn, waarbij de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld.
De arbeidsdeskundige beoordeling concludeerde dat eiseres geschikt was voor enkele functies met een verdiencapaciteit van meer dan 65% van haar oorspronkelijke loon, wat uitsluit dat zij recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, met een proceskostenvergoeding van €907,- aan eiseres wegens het niet verschijnen van de gemachtigde van het UWV bij de eerste zitting.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.