In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een huurzaken tussen een eiseres en een gedaagde. De eiseres, vertegenwoordigd door BoitenLuhrs incasso gerechtsdeurwaarders, vorderde betaling van een huurachterstand van € 10.041,06 en ontbinding van de huurovereenkomst. De gedaagde, die zelf procedeerde, had de gelegenheid gekregen om aanvullend te reageren op de dagvaarding, maar maakte hier geen gebruik van. De gedaagde huurde sinds 18 augustus 2022 een kamer in Rotterdam en had een huurachterstand opgebouwd. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst ontbonden moest worden, omdat de gedaagde niet tijdig had betaald, wat in strijd is met artikel 6:265 BW. De rechter oordeelde dat de huurachterstand ernstig genoeg was om de overeenkomst te ontbinden, vooral omdat de gedaagde geen verweer had gevoerd. De gedaagde werd veroordeeld om de huurachterstand te betalen, de woning te ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en een gebruiksvergoeding van € 660,69 per maand te betalen tot de ontruiming. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 1.229,45. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk uitgevoerd kan worden, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.