ECLI:NL:RBROT:2025:14507

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
11808989 CV EXPL 25-16072
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en betaling huurachterstand in Rotterdam

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een huurzaken tussen een eiseres en een gedaagde. De eiseres, vertegenwoordigd door BoitenLuhrs incasso gerechtsdeurwaarders, vorderde betaling van een huurachterstand van € 10.041,06 en ontbinding van de huurovereenkomst. De gedaagde, die zelf procedeerde, had de gelegenheid gekregen om aanvullend te reageren op de dagvaarding, maar maakte hier geen gebruik van. De gedaagde huurde sinds 18 augustus 2022 een kamer in Rotterdam en had een huurachterstand opgebouwd. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst ontbonden moest worden, omdat de gedaagde niet tijdig had betaald, wat in strijd is met artikel 6:265 BW. De rechter oordeelde dat de huurachterstand ernstig genoeg was om de overeenkomst te ontbinden, vooral omdat de gedaagde geen verweer had gevoerd. De gedaagde werd veroordeeld om de huurachterstand te betalen, de woning te ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en een gebruiksvergoeding van € 660,69 per maand te betalen tot de ontruiming. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 1.229,45. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk uitgevoerd kan worden, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11808989 CV EXPL 25-16072
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres, hierna: ‘ [eiseres] ’,
gemachtigde: BoitenLuhrs incasso gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna: ‘ [gedaagde] ’,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 15 juli 2025, met producties;
  • de aantekeningen van de griffier van het mondeling antwoord van [gedaagde] en de mededeling dat [gedaagde] nog een aanvullend antwoord (met hulp van een advocaat) mag indienen;
  • de rolbeslissing van 12 september 2025.
1.2.
Ondanks het feit dat aan [gedaagde] de gelegenheid is gegeven om nog aanvullend (met hulp van een advocaat) op de dagvaarding te reageren, heeft [gedaagde] daar geen gebruik van gemaakt, ook niet na de rolbeslissing van 12 september 2025.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 18 augustus 2022 een woonruimte van [eiseres] aan de [adres] te Rotterdam. Het gaat om een kamer met aanduiding 32 op de 7e verdieping van het pand aan de [naam locatie] . De huur bedraagt nu € 660,69 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiseres] eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woonruimte verlaten. Hierna wordt die beslissing verder uitgelegd.
[gedaagde] moet de huurachterstand van € 10.041,06 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 10.041,06 aan [eiseres] te betalen. [gedaagde] heeft op de rolzitting van 29 juli 2025 de vordering erkend. Dit betreft de huur tot en met de maand juli 2025 en de afrekening servicekosten 2024 van € 1.728,45.
2.3.
Op de rolzitting heeft [gedaagde] op haar telefoon betalingsbewijzen aan de kantonrechter laten zien waaruit blijkt dat zij die dag drie keer een bedrag van € 660,69 heeft betaald met nog een paar kleine bedragen ter zake de servicekosten. Met deze betalingen kan de kantonrechter in deze procedure echter geen rekening gehouden, omdat [eiseres] zich daarover niet meer heeft kunnen uitlaten en op dit moment dus onvoldoende vaststaat dat die betalingen door haar daadwerkelijk ontvangen zijn. Voor zover [eiseres] deze betalingen heeft ontvangen, strekken deze bedragen uiteraard in mindering op de hiervoor genoemde huurachterstand van € 10.041,06.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.4.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden van het geval. [1] Mede omdat [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om met behulp van een advocaat verweer te voeren tegen de vordering zijn de kantonrechter geen omstandigheden bekend geworden die zouden moeten leiden tot afwijzing van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.5.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de woonruimte met al haar spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 660,69 per maand betalen (artikel 7:225 BW). [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
2.6.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 231,69 toegewezen. Dit is het bedrag dat staat in de brief waarmee [gedaagde] de kans heeft gekregen om alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Omdat [eiseres] dit bedrag heeft genoemd, bestaat geen recht op een hogere vergoeding. Verder is aan alle voorwaarden voldaan om een vergoeding te krijgen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen de rente van € 246,38 die [eiseres] heeft berekend tot en met 15 juli 2025.
Geen oneerlijke bepalingen
2.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 406,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 406,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.229,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 10.519,16 (aan huurachterstand tot en met juli 2025, afrekening servicekosten 2024, rente en buitengerechtelijke kosten) met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 10.041,06 vanaf 16 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woonruimte aan de [adres] (met aanduiding [nummer] op de zevende verdieping) te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 augustus 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiseres] te betalen € 660,69 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.229,45;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
754

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810