In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een verzoeker en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB had vastgesteld dat verzoeker vanaf 3 juli 2018 niet verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat hij niet in Nederland zou wonen en werken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van verzoeker en de SVB aanwezig waren. Verzoeker zelf was niet aanwezig, maar zijn kinderen waren wel aanwezig.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit van de SVB een deugdelijke motivering ontbeert. De SVB had enkel gesteld dat verzoeker niet verzekerd was zonder voldoende uitleg over de informatie waarop deze conclusie was gebaseerd. De voorzieningenrechter benadrukte dat de SVB niet alleen naar de woon- en werkplaats van verzoeker had moeten kijken, maar ook naar andere relevante omstandigheden die de duurzame band van verzoeker met Nederland kunnen aantonen. De voorzieningenrechter concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat verzoeker niet in Nederland woont en dat het bestreden besluit niet in stand kon blijven zonder verbetering van de motivering.
Daarom heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Tevens heeft de SVB het griffierecht van verzoeker vergoed en is de SVB veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 1.814,-. De uitspraak heeft grote gevolgen voor verzoeker, die afhankelijk is van de Wlz voor noodzakelijke zorg.