ECLI:NL:RBROT:2025:14160

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
11600502 CV EXPL 25-6401
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toedeling huurrecht op grond van artikel 7:267 lid 7 BW

In deze zaak, die voor de Rechtbank Rotterdam is behandeld, gaat het om de toedeling van het huurrecht van een woning aan [persoon B] op basis van artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek. De partijen, [persoon A] en [persoon B], waren tot januari 2024 een affectieve relatie aangegaan en waren contractueel medehuurder van de woning aan de [adres] te Hoogvliet Rotterdam. Na de beëindiging van hun relatie is er onenigheid ontstaan over de afwikkeling van de huur. Op 28 oktober 2025 hebben beide partijen hun geldvorderingen ingetrokken en afgesproken elkaar finale kwijting te verlenen, waarbij ieder de eigen proceskosten zou dragen. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis gewezen over de toedeling van het huurrecht. De kantonrechter heeft vastgesteld dat, op basis van de rechtspraak, artikel 7:267 lid 7 BW van toepassing is in gevallen waarin contractuele medehuurders uit elkaar gaan. Dit houdt in dat de huurovereenkomst ten aanzien van de vertrekkende huurder eindigt op de door de rechter bepaalde datum, terwijl de huurovereenkomst voor de achterblijvende huurder voortgezet wordt. In dit geval is het huurrecht toegewezen aan [persoon B] met ingang van 1 december 2025, omdat partijen het erover eens waren dat dit de juiste uitkomst was. De kantonrechter heeft ook bepaald dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, en heeft al het andere afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11600502 CV EXPL 25-6401
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats A] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. J. van Egmond,
tegen
[persoon B],
woonplaats: [woonplaats B] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. M.B. Visser.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 6 maart 2025, met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie met producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvullende producties.
1.2.
Op 28 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] , met mr. J. van Egmond en [persoon B] , met mr. L. Hofman (kantoorgenoot van mr. M.B. Visser).
1.3.
Tijdens de zitting op 28 oktober 2025 hebben partijen de geldvorderingen over en weer ingetrokken. Voorts hebben partijen afgesproken dat zij elkaar over en weer finale kwijting verlenen en dat ieder de eigen proceskosten zal dragen.
1.4.
Partijen hebben de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen over de toedeling van het huurrecht van de woning.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Partijen hebben tot januari 2024 een affectieve relatie gehad en zijn contractueel medehuurder van de woning aan de [adres] te Hoogvliet Rotterdam. [persoon A] is medio januari 2024 uit de woning vertrokken. Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de afwikkeling van een aantal zaken. Na intrekking van de geldvorderingen over en weer, gaat de zaak nog over het toedelen van het huurrecht van de woning aan [persoon B] op grond van artikel 7:267 lid 7 BW.
Het huurrecht van de woning wordt toegewezen aan [persoon B]
2.2.
Volgens rechtspraak is artikel 7:267 lid 7 BW van overeenkomstige toepassing in het geval contractuele medehuurders uit elkaar gaan [1] . Het gaat dan om gevallen waarin twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder hebben gesloten en zij – anders dan in de door artikel 7:266 BW en artikel 7:267 BW bedoelde gevallen – allen partij zijn bij die overeenkomst. De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW op gezamenlijke huur strekt zich blijkens die rechtspraak ook uit tot de werking tegenover de verhuurder. Als artikel 7:267 lid 7 BW wordt toegepast, eindigt de huurovereenkomst dus ten aanzien van de vertrekkende huurder(s) op de door de rechter bepaalde dag en wordt de huurovereenkomst ten aanzien van de achterblijvende huurder(s) voortgezet.
2.3.
Omdat partijen het met elkaar eens zijn dat het huurrecht van de woning aan [persoon B] moet worden toegedeeld, zal de kantonrechter het huurrecht aan [persoon B] toewijzen. De ingangsdatum wordt op 1 december 2025 gesteld. Hoewel de wet zich niet lijkt te verzetten tegen het toewijzen van huurrechten met terugwerkende kracht acht de kantonrechter dat toch onwenselijk vanwege de positie van de verhuurder, die geen partij is bij deze procedure. Omdat partijen het erover eens zijn dat [persoon A] vanaf 1 april 2024 niet meer bij hoefde te dragen aan het betalen van de huur en dat [persoon B] sinds die datum de gehele huur heeft betaald, hebben partijen ook geen belang bij toewijzing met terugwerkende kracht.
Proceskosten
2.4.
Partijen hebben afgesproken dat ieder de eigen proceskosten zal dragen, zodat een proceskostenveroordeling niet nodig is.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat het huurrecht van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) Hoogvliet Rotterdam wordt toegewezen aan [persoon B] met ingang van 1 december 2025 en dat [persoon A] de huur met ingang van die datum niet langer zal voortzetten;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
754

Voetnoten

1.Hoge Raad, 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1964