In deze zaak, die voor de Rechtbank Rotterdam is behandeld, gaat het om de toedeling van het huurrecht van een woning aan [persoon B] op basis van artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek. De partijen, [persoon A] en [persoon B], waren tot januari 2024 een affectieve relatie aangegaan en waren contractueel medehuurder van de woning aan de [adres] te Hoogvliet Rotterdam. Na de beëindiging van hun relatie is er onenigheid ontstaan over de afwikkeling van de huur. Op 28 oktober 2025 hebben beide partijen hun geldvorderingen ingetrokken en afgesproken elkaar finale kwijting te verlenen, waarbij ieder de eigen proceskosten zou dragen. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis gewezen over de toedeling van het huurrecht. De kantonrechter heeft vastgesteld dat, op basis van de rechtspraak, artikel 7:267 lid 7 BW van toepassing is in gevallen waarin contractuele medehuurders uit elkaar gaan. Dit houdt in dat de huurovereenkomst ten aanzien van de vertrekkende huurder eindigt op de door de rechter bepaalde datum, terwijl de huurovereenkomst voor de achterblijvende huurder voortgezet wordt. In dit geval is het huurrecht toegewezen aan [persoon B] met ingang van 1 december 2025, omdat partijen het erover eens waren dat dit de juiste uitkomst was. De kantonrechter heeft ook bepaald dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, en heeft al het andere afgewezen.