ECLI:NL:RBROT:2025:14020

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/9416
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1:2 AwbArt. 15 lid 2 PaspoortwetArt. 19 Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot verstrekking laissez-passer voor minderjarige geboren via draagmoederschap

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een paspoort voor zijn minderjarige kind, geboren via een draagmoederschapconstructie in Noord-Cyprus. De minister nam de aanvraag niet in behandeling vanwege onduidelijkheid over de identiteit en Nederlandse nationaliteit van het kind, en het ontbreken van een rechterlijke toetsing van de buitenlandse geboorteakte.

Verzoeker betoogde dat het kind de Nederlandse nationaliteit bezit door erkenning voorafgaand aan de geboorte en genetische verwantschap, ondersteund door een DNA-rapport. De voorzieningenrechter oordeelde dat het humanitaire belang en het belang van het kind om met verzoeker naar Nederland te reizen zwaarder wegen dan het belang van de minister.

Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen die de minister opdraagt binnen een week een laissez-passer te verstrekken, inclusief een Schengenvisum, zodat het kind naar Nederland kan reizen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak is bindend voor het voorlopige karakter en staat geen hoger beroep toe.

Uitkomst: De minister wordt opgedragen binnen een week een laissez-passer te verstrekken zodat de minderjarige naar Nederland kan reizen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9416

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.P.J. Appelman),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, Directie Juridische Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de buiten behandeling stelling van de aanvraag van verzoeker om een paspoort voor de minderjarige [naam minderjarige] . Verzoeker is het niet eens met dit besluit. De voorzieningenrechter treft in deze uitspraak de voorlopige voorziening dat de minister een laissez-passer moet afgeven, zodat [naam minderjarige] naar Nederland kan reizen.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 20 november 2025 een aanvraag ingediend voor een paspoort voor het minderjarig kind [naam minderjarige] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2025 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn partner [persoon A] via een Teams-verbinding, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van de minister en mr. I.M. Wissenburgh namens de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vooraf
3. Verzoeker heeft samen met zijn partner [persoon A] een verzoek om voorlopige voorziening ingediend en verzocht om een laissez-passer af te geven voor [naam minderjarige] . De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat [persoon A] in juridische zin geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [1] De voorzieningenrechter begrijpt, zoals ook tijdens de zitting besproken, dat [persoon A] emotioneel betrokken is bij het bestreden besluit en hij de intentie heeft samen met verzoeker [naam verzoeker] [naam minderjarige] op te voeden. De paspoortaanvraag en de draagmoederschapsovereenkomst zijn echter enkel ondertekend door verzoeker [naam verzoeker] en door de draagmoeder. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat enkel verzoeker [naam verzoeker] belanghebbende is bij deze procedure. De voorzieningenrechter zal daarom spreken van een enkele verzoeker: verzoeker [naam verzoeker] .
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Hij is een draagmoederschapsovereenkomst aangegaan met een draagmoeder met de Tadzjiekse nationaliteit. Tijdens de zwangerschap heeft de draagmoeder verzoeker gemachtigd om het ongeboren kind te erkennen. Op 28 oktober 2025 heeft verzoeker bij de gemeente Rotterdam het ongeboren kind erkend. De draagmoeder is op 12 november 2025 op Noord-Cyprus (Turkse deel) bevallen van een dochter, [naam minderjarige] . De draagmoeder heeft de aanvraag voor het paspoort van [naam minderjarige] mede ondertekend en verzoeker schriftelijk toestemming gegeven om met [naam minderjarige] te reizen (naar Nederland). In een rapport van 27 november 2025 van AlphaBiolabs is geconcludeerd dat verzoeker [naam verzoeker] met een waarschijnlijkheid van 99,99% de biologische vader van [naam minderjarige] is.
Standpunt verweerder
5. Met het besluit van 20 november 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om een paspoort voor [naam minderjarige] niet in behandeling genomen omdat haar identiteit en Nederlandse nationaliteit niet kunnen worden vastgesteld. Er kan niet worden vastgesteld dat in het buitenland een rechtsgeldige afstammingsrelatie tussen de Nederlandse biologische wensouder en [naam minderjarige] tot stand is gekomen die is neergelegd in de buitenlandse geboorteakte. Ook is niet gebleken dat de afstammingsrelatie van [naam minderjarige] met de vader en moeder die zijn opgenomen in de buitenlandse akte door de Nederlandse rechter voor erkenning is getoetst op verenigbaarheid met de openbare orde. De in Noord-Cyprus opgemaakte geboorteakte van [naam minderjarige] , die in de eerste plaats dient als bewijs van identiteit en afstamming van de minderjarig, is in Nederland nog niet aan de rechter voor erkenning voorgelegd. Verder voldoet [naam minderjarige] niet aan de voorwaarden om op basis van de Paspoortwet in aanmerking te komen voor een reisdocument of laissez-passer. [naam minderjarige] heeft namelijk nog geen rechtmatig verblijf in Nederland. [2] Hierdoor komt de minister niet toe aan de afweging of sprake is van een humanitaire noodzaak tot reizen. Bovendien zou in dat geval de onwenselijke situatie ontstaan dat [naam minderjarige] reeds in Nederland verblijft zonder dat een rechter de draagmoederschapsconstructie heeft kunnen toetsen aan de openbare orde. De minister merkt verder op dat [naam minderjarige] mogelijk in bezit is van het staatsburgerschap van Tadzjikistan. Het zou daarom in de rede liggen dat verzoeker voor [naam minderjarige] en Tadzjieks paspoort aanvraagt en, nu een verblijf langer dan negentig dagen wordt beoogd, een verzoek om een machtiging tot voorlopige verblijf (MVV) aanvraagt.
Standpunt verzoeker
6. Verzoeker is het niet eens met het besluit van 20 november 2025. Volgens verzoeker heeft [naam minderjarige] wel recht op een reisdocument aangezien zij de Nederlandse nationaliteit heeft. Verzoeker stelt dat het overgelegde DNA-rapport en de verklaring van de ivf-arts dat gebruik is gemaakt van het genetische materiaal van verzoeker voldoende bewijs oplevert dat verzoeker genetisch verwant is aan [naam minderjarige] . Doordat verzoeker [naam minderjarige] ook voor de geboorte heeft erkend heeft zij van rechtswege bij geboorte het Nederlanderschap verkregen. Verzoeker wenst met het verzoek om voorlopige voorziening te bereiken dat aan [naam minderjarige] een laissez-passer wordt afgegeven zodat hij zo snel mogelijk met [naam minderjarige] en [persoon A] naar Nederland kan reizen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van het verzoek?
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopige karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
9. Verzoeker heeft aangevoerd dat de middelen voor de verzorging van [naam minderjarige] op Cyprus beperkt zijn. Verzoeker en [persoon A] hebben op de zitting verteld dat hoewel zij zich hadden voorbereid op de komst van [naam minderjarige] door onder andere babyvoeding en een bedje mee te nemen naar Cyprus, [naam minderjarige] enkel kan slapen in een Maxi Cosi kinderwagen wat niet goed voor haar is. Bovendien raakt de geschikte babyvoeding op. Verzoeker maakt zich daarom zorgen over de gezondheid van [naam minderjarige] . Daarnaast heeft verzoeker al vliegtickets geboekt om op 4 december 2025 terug te vliegen naar Nederland. Het verlengen van hun verblijf op Cyprus zou grote organisatorische moeilijkheden met zich brengen. De voorzieningenrechter ziet in al deze omstandigheden voldoende spoedeisend belang om de zaak inhoudelijk te behandelen.
Inhoudelijk
10. In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat op dit moment niet kan worden geconcludeerd dat [naam minderjarige] het Nederlanderschap heeft verkregen nu de in Noord-Cyprus opgemaakte geboorteakte, die in de eerste plaats dient als bewijs van identiteit en afstamming van de minderjarige, in Nederland nog niet aan de rechter voor erkenning is voorgelegd. De minister verwijst daarbij naar het feit dat het Nederlandse recht geen specifieke afstammingsrechtelijke regeling kent in geval van buitenlandse draagmoederschapsconstructies. Op de zitting heeft de minister daarbij verduidelijkt dat, in tegenstelling tot het standpunt van verzoeker, de erkenning voor de geboorte en het vermelden van verzoeker op de geboorteakte onvoldoende is om de identiteit, en vervolgens de nationaliteit, van [naam minderjarige] vast te stellen. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van de minister zo, dat dit verband houdt met het feit dat [naam minderjarige] door middel van een buitenlands draagmoederschapstraject is geboren. In de jurisprudentie zijn verschillende criteria ontwikkeld aan de hand waarvan de civiele rechter een aanvraag voor de erkenning van een buitenlandse geboorteakte toetst. Zo kan de civiele rechter onder andere vragen stellen over de identiteit van de eiceldonatrice en de zorgvuldigheid van het draagmoederschapstraject. [3]
11. De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting er nadrukkelijk op gewezen dat er in dit geval nog een groot aantal stukken ontbreken over het draagmoedertraject. Zo zijn er nog geen stukken overgelegd met betrekking tot de identiteit van de eiceldonatrice, ontbreekt een gelegaliseerde versie van de geboorteakte, voldoet de overgelegde DNA-test niet aan de vereisten zoals geformuleerd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap en bevat het dossier geen aparte verklaring van de draagmoeder waarin zij haar juridische rechten en plichten met betrekking tot [naam minderjarige] opgeeft. De zorgvuldigheid van het draagmoederschapstraject ligt in deze procedure niet voor. Zowel de minister als de voorzieningenrechter zijn in deze procedure ook niet bevoegd een oordeel te geven over het draagmoederschapstraject. Desalniettemin begrijpt de voorzieningenrechter dat de minister belang hecht aan de ontbrekende informatie en weegt de kans van slagen van de nog te volgen (civielrechtelijke) procedures voor de voorzieningenrechter wel mee.
12. Tegenover deze kanttekeningen staat het belang voor verzoeker, [persoon A] en [naam minderjarige] om naar Nederland te reizen en in Nederland als gezin te kunnen samenleven en om vanuit die situatie vervolgens de noodzakelijke (civielrechtelijke) procedures te doorlopen. De voorzieningenrechter acht het van belang dat het uitgevoerde DNA-onderzoek, los van de vraag of het aan de daaraan te stellen eisen voldoet, in ieder geval wél naar alle waarschijnlijkheid uitwijst dat verzoeker de biologische vader van [naam minderjarige] is. Daar komt bij dat hoewel het dossier geen aparte verklaring van de draagmoeder omtrent haar juridische positie en het toekomstige gezag over [naam minderjarige] bevat, verzoeker er ter zitting wel op heeft gewezen dat de draagmoederschapsovereenkomst verwijst naar de intentie van de draagmoeder om geen gezag over [naam minderjarige] uit te oefenen. Ook heeft de draagmoeder expliciet toestemming gegeven voor het aanvragen van een Nederlands paspoort en het reizen van [naam minderjarige] naar Nederland. Bovendien is niet in geschil dat [naam minderjarige] sinds haar geboorte door verzoeker en [persoon A] wordt verzorgd.
13. Onder aan de streep komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het humanitaire belang van verzoeker en [naam minderjarige] zwaarder weegt dan het belang van de minister. De voorzieningenrechter zal daarom op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een voorlopige voorziening treffen en de minister opdragen ten behoeve van [naam minderjarige] een laissez-passer te verstrekken.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter zal de voorlopige voorziening treffen dat de minister zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer moet verstrekken ten behoeve van [naam minderjarige] . De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat op de zitting is besproken dat de minister bij het verstrekken van een laissez-passer, ook zal zorgen voor een Schengenvisum op basis waarvan [naam minderjarige] naar Nederland kan reizen en tijdelijk in Nederland kan verblijven.
15. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen recht heeft op een proceskostenvergoeding omdat verzoeker wist dat hij pas na een positieve beoordeling van deze draagmoederschapconstructie door de Nederlandse civiele rechter met [naam minderjarige] naar Nederland zouden kunnen reizen. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in dit standpunt. Verzoeker heeft zich tot de voorzieningenrechter gewend nadat de minister zijn aanvraag voor een reisdocument niet in behandeling heeft genomen. In deze uitspraak wordt de gevraagde voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden voldoende aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en wegingsfactor 1). Ook zal de voorzieningenrechter de minister opdragen het griffierecht aan verzoeker te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- draagt de minister op om verzoeker zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer te verstrekken ten behoeve van [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] , waarmee zij naar Nederland kan reizen;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.De minister verwijst naar artikel 15, tweede lid, van de Paspoortwet en artikel 19 Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001.
3.De minister verwijst in het verweerschrift naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16362 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2255.