ECLI:NL:RBROT:2025:13609

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/10/708760 / KG ZA 25-1060
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging kinderalimentatiebeschikking na beëindiging relatie

Partijen hadden een affectieve relatie die in april 2024 eindigde, waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. De rechtbank had op 9 juli 2025 bepaald dat eiser €250 per kind per maand moet betalen als kinderalimentatie. Eiser stelde in hoger beroep te zijn gegaan en vorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beschikking.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de criteria uit het Zeester-arrest van toepassing zijn, waarbij een beschikking uitvoerbaar bij voorraad is tenzij sprake is van een kennelijke misslag. Een dergelijke misslag werd niet gesteld of aangetoond. De belangenafweging viel uit in het nadeel van eiser.

Eiser voerde aan dat zijn draagkracht onjuist was berekend en dat hij de erkenning van een kind wilde vernietigen, maar dit werd verworpen omdat hij juridisch vader bleef en onvoldoende inzicht gaf in zijn werkelijke inkomsten en woonlasten. De rechter concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet aan de alimentatieverplichting kon voldoen en wees de vordering af. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de kinderalimentatiebeschikking wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/708760 / KG ZA 25-1060
Vonnis in kort geding van 24 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching,
tegen
[gedaagde],
wonende te Zwijndrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.G. Hoogerwerf.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 31 oktober 2025,
- producties 1 tot en met 5 van [eiser];
- producties 1 tot en met 4 van [gedaagde];
- de pleitnota van mr. Hoogerwerf.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 10 november 2025 plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in april 2024 geëindigd.
2.2.
Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum 1] 2022 geboren de [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1]).
2.3.
Uit een eerdere relatie van [gedaagde] is de [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2019 (hierna te noemen: [minderjarige 2]).
2.4.
[eiser] heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.5.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 9 juli 2025 bepaald dat [eiser] met ingang van 28 februari 2025 een bedrag van € 250,- per kind per maand moet betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [eiser] heeft geen verweer gevoerd in de procedure en op 8 oktober 2025 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 9 juli 2025 voor zover dit betreft de tenuitvoerlegging van de door [eiser] te betalen kinderalimentatie.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Het toetsingskader
4.1.
In deze zaak, waarin tijdig een rechtsmiddel tegen de beslissing van 9 juli 2025 is ingesteld, gelden niet, zoals [eiser] betoogt, de criteria zoals verwoord in het arrest Ritzen/Hoekstra (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575), maar zijn de criteria uit het Zeester arrest (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) van toepassing. In het laatstgenoemde arrest is bepaald dat een uitgesproken veroordeling, hangende een daartegen ingesteld rechtsmiddel, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van het aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. Wanneer de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak niet is gemotiveerd, kan een belangenafweging tot een ander oordeel leiden.
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kent de beschikking geen evidente, in het oog springende, kennelijke misslagen. [eiser] heeft dit ook niet gesteld. Omdat de beschikking van 9 juli 2025 zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is in dit kort geding alleen een belangenafweging aan de orde.
Een belangenafweging valt uit in het nadeel van [eiser]
4.3.
stelt dat hij de erkenning van [minderjarige 2] wil vernietigen, omdat hij niet zijn biologische vader is en [eiser] om die reden niet (meer) onderhoudsplichtig is voor hem. [gedaagde] stelt daar tegenover dat [eiser] geen rechtsgrond heeft om de erkenning te vernietigen, omdat de erkenning door de niet biologische vader van een kind alleen kan worden vernietigd als de erkenner door bedreiging, dwaling of bedrog tot de erkenning is bewogen. Volgens [gedaagde] is dat niet aan de orde. [eiser] heeft dit niet betwist. Wat daar ook van zij, [eiser] was ten tijde van de beschikking en is ten tijde van het wijzen van dit vonnis de juridische vader van [minderjarige 2] en daardoor onderhoudsplichtig voor hem.
4.4.
Vervolgens stelt [eiser] dat de behoefte van de kinderen en zijn draagkracht onjuist zijn berekend en de kinderalimentatie daardoor niet aan de wettelijke maatstaven voldoet. Er is gerekend met een onjuist inkomen van [eiser] en hij verwacht een kind met zijn huidige partner waardoor zijn draagkracht over meerdere kinderen moet worden verdeeld. [gedaagde] stelt dat – nog daargelaten dat ook zij een kind verwacht op korte termijn – geen rekening moet worden gehouden met de toekomstige omstandigheid dat [eiser] opnieuw vader wordt. [eiser] heeft daarnaast onvoldoende inzicht gegeven in zijn inkomsten en uitgaven. Immers, [eiser] heeft een verklaring geregistreerd inkomen van de Belastingdienst overgelegd in plaats van een jaaropgave en hij heeft zijn werkelijke woonlasten niet aangetoond. Omdat er een gebrek aan draagkracht is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, moet namelijk rekening worden gehouden met de werkelijke woonlasten van [eiser].
4.5.
Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat zij niet kan en mag vooruitlopen op de uitkomst van het hoger beroep vanwege het prognoseverbod. Bovendien heeft [eiser] artikel 21 Rv Pro geschonden ten aanzien van de presentatie van de feiten over zijn woonlasten. [eiser] heeft nagelaten te vermelden dat hij geen woonlasten heeft, omdat hij bij zijn ouders inwoont. Dat hij in zijn in deze procedure overgelegde alimentatieberekening rekening heeft gehouden met forfaitaire woonlasten is daardoor onjuist. Rekening houdend met zijn werkelijke woonlasten is het aannemelijk dat zijn draagkracht (veel) hoger is, omdat hij slechts – zo stelt hij ter zitting – boodschappengeld betaalt aan zijn ouders, overigens zonder daar een bedrag voor te noemen. Daar komt bij dat [eiser] ter zitting een aanbod van € 100,00 per maand heeft gedaan terwijl hij, rekening houdend met zijn werkelijke woonlasten, een hogere draagkracht heeft om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Dat laatste erkent hij ook wel. In de dagvaarding berekent hij zijn draagkracht immers op € 197,00 (voor twee kinderen) en ter zitting heeft hij erkend dat die draagkracht, vanwege een hoger inkomen, enkele tientjes hoger uitkomt.
4.6.
Dat [eiser], zoals hij stelt, in financiële nood verkeert, is niet aannemelijk geworden. [gedaagde] heeft nog geen executiemaatregelen getroffen en zoals hiervoor overwogen, is aannemelijk dat de daadwerkelijke draagkracht van [eiser] (veel) hoger is dan hij in deze procedure heeft gesteld, omdat hij geen woonlasten heeft. [eiser] heeft tevens nagelaten inzichtelijk te maken wat zijn totale maandelijkse uitgaven zijn. Dat sprake is van een noodsituatie is dus niet aannemelijk.
4.7.
Tot slot stelt [eiser] dat hij vreest dat, mocht in hoger beroep een lager bedrag aan kinderalimentatie worden vastgesteld, [gedaagde] het te veel betaalde bedrag niet kan terugbetalen. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Kinderalimentatie heeft immers een consumptief karakter.
4.8.
Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de bij beschikking opgelegde bijdrage van € 250,00 per kind per maand niet kan voldoen. Dit leidt tot afwijzing van de vordering.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.9.
Omdat partijen ex-partners zijn worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025. 3608/2009