ECLI:NL:RBROT:2025:13416

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25-1368
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met toepassing van de hardheidsclausule

Op 27 oktober 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de toelating van [verzoekster] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). [verzoekster] bevond zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de Wsnp. Tijdens de zitting op 20 oktober 2025 zijn zowel [verzoekster] als haar beschermingsbewindvoerder, de heer C. Amkoum, verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [verzoekster] zich in een problematische schuldensituatie bevindt en dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden, met uitzondering van enkele verkeersboetes die binnen de drie-jaarstermijn zijn ontstaan. Ondanks deze boetes heeft de rechtbank besloten om [verzoekster] toe te laten tot de Wsnp, waarbij de hardheidsclausule is toegepast. De rechtbank heeft ook een eerdere ingangsdatum van de regeling vastgesteld, namelijk 27 december 2024, omdat [verzoekster] gedurende een periode van tien maanden aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. De rechtbank heeft de looptijd van de Wsnp-regeling vastgesteld op achttien maanden, met een einddatum op 27 juni 2026. Tevens is er een bewindvoerder benoemd die toezicht houdt op de naleving van de verplichtingen van [verzoekster] tijdens de Wsnp. De rechtbank heeft de beslissing openbaar uitgesproken en aangegeven dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is binnen acht dagen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer ]
vonnis van:
27 oktober 2025
op het verzoek van:
[verzoekster],
wonende te [adres],
[postcode] [woonplaats].
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet wel aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 20 oktober 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster], verzoekster,
- de heer C. Amkoum, beschermingsbewindvoerder.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de boetes bij het CJIB die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. [verzoekster] heeft in 2024 zes boetes laten ontstaan, waarvan twee keer te hard rijden, een keer door een rood verkeerslicht rijden en twee keer het negeren van een C12 verkeersbord. Deze boetes staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.3.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] in 2025 geen nieuwe verkeersboetes heeft laten ontstaan. [verzoekster] is zich ervan bewust dat tijdens de Wsnp geen nieuwe boetes mogen ontstaan. [verzoekster] heeft blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding.
2.4.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder gekeken naar de vraag of [verzoekster] de zogeheten inspanningsverplichting kan nakomen. [verzoekster] werkt 28 uur per week en studeert daarnaast nog 8 uur per week. [verzoekster] is zich ervan bewust dat van haar wordt verwacht dat zij – in beginsel – 36 uur per week fulltime zal werken. [verzoekster] is ervan op de hoogte dat de termijn van de Wsnp (mogelijk) zal worden verlengd door de rechter-commissaris om zo de (eventueel ontstane) tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting te compenseren.
2.5.
[verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.8.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10.
De rechtbank stelt vast dat door [verzoekster] in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject vanaf 10 september 2024 (datum aanbod minnelijk traject) niet is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van [verzoekster]. De rechtbank stelt vast dat vanaf 10 september 2024 gedurende dertien maanden een deel van de inkomsten alleen zijn betaald aan deze schuldeisers. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan [verzoekster]. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum. Conform het vtlb had [verzoekster] gedurende die dertien maanden een bedrag van € 0,- kunnen sparen voor haar gezamenlijke schuldeisers. [verzoekster] heeft gedurende die dertien maanden een bedrag van € 4.746,58 onder het beslag afgedragen. Hiermee is voldaan aan is voldaan aan de in dat traject geldende verplichting tot afdracht van het inkomen boven het vtlb.
2.11.
[verzoekster] heeft over de periode vanaf 10 september 2024 (datum aanbod minnelijk traject) gedurende dertien maanden wekelijks 28 uur per week gewerkt. Dit komt neer op een totaal aantal uren van 1.456. Uitgaande van de gelde verplichting voor [verzoekster] om in de Wsnp fulltime (36 uur per week) te werken, had zij in de periode in totaal 1.872 uren kunnen werken. Een verschil dus van 416 uren. De rechtbank zal de feitelijk gewerkte uren dan ook salderen (1.456 / 144 = 10,11). Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat gedurende tien maanden door [verzoekster] is voldaan aan de inspanningsverplichting.
2.12.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald van tien maanden, nu er gedurende die tien maanden aan de afdracht- en inspanningsverplichting is voldaan. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 27 december 2024, zijnde tien maanden eerder dan de datum van dit vonnis.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.6.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.7.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster].
3.8.
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum]-1987 te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [postcode] [woonplaats],
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 27 december 2024 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 27 juni 2026;
  • draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025. [1]