De zaak betreft een door het CBR opgelegd onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser na een verkeersongeval op 7 december 2024, waarbij eiser werd verdacht van rijden onder invloed met een alcoholgehalte van 585 µg/l. Eiser betwistte dat hij de bestuurder was en voerde aan dat een ander, [persoon A], de auto bestuurde.
De politie trof eiser alleen aan bij het ongeval, constateerde een bult op zijn voorhoofd en een barst in de voorruit, en nam zijn verklaring op waarin hij aanvankelijk ontkende te hebben gereden, maar later onder dreiging van contact met zijn vader toegaf te hebben gereden. [Persoon A] meldde zich later dezelfde dag bij de politie als bestuurder, maar werd niet gehoord. Eiser overlegde bewijsstukken waaruit blijkt dat [persoon A] de schade vergoedde en dat hij de bestuurder was.
De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat eiser eenmalig toegaf te hebben gereden onvoldoende bewijs is, mede gelet op de twijfel over het verband tussen de bult en de barst en de verklaringen van [persoon A]. Verweerder had onvoldoende feitelijke grondslag om het onderzoek naar rijgeschiktheid op te leggen en het rijbewijs te schorsen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor het onderzoek komt te vervallen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.