In deze zaak vordert de verhuurder, een maatschap, betaling van een huurachterstand door de huurder van een woning. De huurder betwist de vordering en stelt een tegeneis in. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis van 9 mei 2025 het opslagbeding vernietigd, waardoor alleen huurverhogingen op basis van het indexatiebeding geldig zijn.
De huurachterstand is berekend tot en met september 2024 en bedraagt € 2.684,10. De huurder heeft eerder betalingen gedaan, maar is daarna opnieuw in gebreke gebleven. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van rente af omdat het boetebeding van € 25 per dag als oneerlijk wordt beoordeeld. Ook de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens oneerlijke bepalingen die afwijken van de wettelijke regeling.
De verhuurder kan geen aanspraak maken op wettelijke incassokosten omdat het beding oneerlijk is en de wettelijke regeling niet aanvullend kan worden toegepast. De huurder hoeft geen bedrag van € 439,64 terug te ontvangen omdat dit bedrag op de huurachterstand is verrekend. De proceskosten worden toegerekend aan de huurder. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.