De zaak betreft een boete van €24.000,- opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan eiseres wegens vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Vier Chinese koks hadden werkzaamheden verricht die niet overeenkwamen met hun gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) als 'specialiteitenkok Chinese keuken'. Drie koks deden een uur per week schoonmaakwerkzaamheden, en één kok zou voornamelijk als afwasser hebben gewerkt.
Eiseres betwistte de boete en voerde onder meer aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, met slechte vertalingen en tegenstrijdige verklaringen zonder hoor en wederhoor. De rechtbank oordeelde dat de minister niet had kunnen vaststellen dat één kok voornamelijk als afwasser werkte, mogelijk door persoonsverwisseling. Voor de drie koks die schoonmaakwerkzaamheden verrichtten, vond de rechtbank dat de boete onevenredig was gezien de geringe aard van de overtreding, de coronaperiode en het feit dat het een eerste overtreding betrof.
De rechtbank vernietigde het boetebesluit en herroept het primaire besluit. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij vaststelling van overtredingen en het evenredigheidsbeginsel bij boeteoplegging.