Verzoekster diende een klacht in tegen de verplichte toediening van medicatie olanzapine binnen de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Zij stelde dat de bijwerkingen ernstig waren en dat zij gemanipuleerd was om de medicatie te accepteren. Tevens verzocht zij om een schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat er ruimte is voor rechterlijke toetsing van de toediening van medicatie, maar dat deze toets terughoudend moet zijn en geen geneeskundig oordeel mag vervangen. De feiten toonden aan dat verzoekster langdurig psychotisch was, met een manisch psychotisch beeld, en dat eerdere medicatie onvoldoende effect had. De keuze voor olanzapine was proportioneel en er waren geen minder bezwarende alternatieven.
De rechtbank concludeerde dat de zorgaanbieder voldoende rekening had gehouden met de wensen van verzoekster en dat de medicatie rechtmatig was toegediend. De klacht werd daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de klacht ongegrond was en de schade niet voldoende was onderbouwd.
De proceskosten werden ieder door de eigen partij gedragen. De beschikking is gegeven door rechter E.M. Moerman op 13 september 2024.