ECLI:NL:RBROT:2024:847
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatige mindering ZW-uitkering op WIA-uitkering bij samenloop uitkeringen
Eiser betwist de hoogte van zijn WIA-uitkering, omdat hij meent dat de ZW-uitkering ten onrechte te hoog op de WIA-uitkering is ingehouden. Het UWV heeft de WIA-uitkering vastgesteld op € 1.246,93 bruto per maand, waarbij de ZW-uitkering als inkomen in mindering is gebracht. De rechtbank onderzoekt of deze berekening juist is en of bijzondere omstandigheden toepassing van de wettelijke samenloopregeling uitsluiten.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de ZW-uitkering op juiste wijze heeft berekend op basis van het dagloon en het maandloon, conform de wettelijke bepalingen. Het verschil tussen het bruto bedrag van de ZW-uitkering en het ingehouden bedrag wordt verklaard door de wijze van uitbetaling en het percentage van 70% van het dagloon. De rechtbank oordeelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze samenloopregeling en dat het feit dat eiser maandelijks wisselende bedragen ontvangt en de berekening voor hem niet volledig inzichtelijk is, niet leidt tot een onevenredige benadeling.
Ook de terugvorderingen van inkomstenbelasting en toeslagen worden niet toegerekend aan het bestreden besluit, maar aan een eerdere beslissing van het UWV. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft de WIA-uitkering terecht vastgesteld op € 1.246,93 bruto per maand met in mindering gebrachte ZW-uitkering.