Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De verdere procedure
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 19 april 2024;
- het verweerschrift tegen het gewijzigd/aanvullend verzoek van de vrouw met bijlagen van de man, ingekomen op 17 april 2024;
- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 13 mei 2024.
2.De verdere beoordeling
Verdeling” is opgenomen in de paragrafen genaamd rechtsmacht en toepasselijk recht, huwelijksvermogensregime, peildatum omvang beperkte gemeenschap en waardering en bestanddelen van de beperkte gemeenschap. De inhoud dient als hier ingelast te worden beschouwd.
- de gemeenschappelijke saldi van de op naam van de vrouw staande bankrekeningen -/- de saldi op deze rekening bij aanvang van de gemeenschap aan de vrouw worden toegedeeld met verrekening van de helft daarvan met de man;
- de gemeenschappelijke saldi van de op naam van de man staande bankrekeningen
- de man aan de vrouw € 274,81 moet voldoen in het kader van de verdeling en verrekening van de bankrekeningen en banksaldi zoals genoemd in punt 34 van haar inleidend verzoekschrift, sub a en g;
- de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de beperkte gemeenschap van € 26.595,17 of, bij een ontoereikend gemeenschapsvermogen, op de man van € 13.297,50 in het kader van de verdeling en verrekening van de bankrekeningen en banksaldi zoals genoemd in punt 34 van haar inleidend verzoekschrift, sub a, b, c, d, e, f en h.
€ 0,- + € 0,-
- sub a: is in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed;
- sub b: komt in geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.
het ontstaanvan een vermogensverschuiving – eigen geld is in de gemeenschap beland – rusten op de echtgenoot die zich op het vergoedingsrecht beroept, in dit geval dus de vrouw. De vrouw heeft enkel aangetoond dat het saldo van haar privégeld is verlaagd, maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt of dat door privéuitgaven of gemeenschapsuitgaven is gebeurd. Weliswaar blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken dat de privésaldi op haar bankrekeningen op het moment van huwelijkssluiting (aanzienlijk) hoger waren dan ten tijde van ontbinding van de gemeenschap, maar hieruit kan de rechtbank niet vaststellen dat haar saldi zijn verlaagd door betalingen ten behoeve van de gemeenschap. De man heeft met zijn stelling dat de vrouw met privémiddelen (ook) in haar privéwoning heeft geïnvesteerd, gemotiveerd betwist dat de vrouw tijdens het huwelijk vanuit haar privébankrekeningen (uitsluitend) gemeenschapsbetalingen heeft gedaan. Daartegenover heeft de vrouw niet onderbouwd dat het tegendeel waar is. Anders gezegd en in de woorden van de vrouw: de rechtbank kan niet vaststellen dat het geld van de vrouw ‘de poort heeft gepasseerd’. Van een vergoedingsrecht kan daarom geen sprake zijn.