Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:577

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
672141 / HA rk 24-47
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens misbruik wrakingsmiddel bij betalingsonmacht griffierecht

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een bestuursrechtelijke procedure over een beroepschrift tegen een afwijzend besluit van het Openbaar Ministerie inzake een voorschot op schadevergoeding. Het verzoek richtte zich feitelijk tegen de griffier vanwege afwijzing van een beroep op betalingsonmacht van het griffierecht.

De rechtbank oordeelde dat een wrakingsverzoek alleen kan worden gericht tegen de rechter die de zaak behandelt. Omdat de zaak nog niet aan een rechter was toegewezen en de correspondentie uitsluitend van de griffier kwam, was het verzoek niet-ontvankelijk. Tevens werd vastgesteld dat verzoeker herhaaldelijk wrakingsverzoeken had ingediend bij afwijzing van betalingsonmacht, wat werd aangemerkt als misbruik van het wrakingsmiddel.

De rechtbank bepaalde dat een volgend wrakingsverzoek op dezelfde grondslag niet in behandeling wordt genomen. Een mondelinge behandeling van het verzoek vond niet plaats omdat het debat over de gegrondheid niet aan de orde was. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek en een volgend wrakingsverzoek op dezelfde grondslag wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/672141 / HA RK 24-47
Beslissing van 17 januari 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[naam verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
de rechter in de zaak met kenmerk ROT 23 / 7881,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 23 november 2023 bij deze rechtbank een beroepschrift ingediend tegen het afwijzende besluit van het Openbaar Ministerie van diezelfde datum in het kader van een verzoek om toekenning van een voorschot op schadevergoeding. Dat beroepschrift is bij de rechtbank geregistreerd met kenmerk ROT 23 / 7881.
1.2.
In zijn beroepschrift verzoekt verzoeker om vrijstelling van het griffierecht.
Bij brief van de griffier van 1 december 2023 is aan verzoeker meegedeeld dat zijn beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.
1.3.
Per e-mailbericht van 3 december 2023 heeft verzoeker aan de griffier kenbaar gemaakt het oneens te zijn met diens beslissing.
1.4.
Per e-mailbericht van 9 januari 2024 heeft verzoeker de griffier verzocht hem te bevestigen dat hem uitstel van het betalen van het griffierecht wordt verleend totdat de Sociale Dienst heeft beslist en dat hij – mocht de griffier niet (willen) reageren – de rechter wraakt.
1.5.
De griffier heeft desgevraagd aan de algemeen secretaris van de wrakingskamer bericht dat op laatstgenoemd bericht van verzoeker geen reactie meer zal worden gegeven.
1.6.
Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de zaak met kenmerk ROT 23 / 7881.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Samengevat en zakelijk weergegeven komen de door verzoeker aangevoerde gronden er op neer dat hij het niet eens is met de beslissing van de griffier tot afwijzing van zijn beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het verschuldigde griffierecht.

3.De beoordeling van het verzoek

Ontvankelijkheid
3.1.
Nu de griffier heeft meegedeeld dat op het bericht van verzoeker van 9 januari 2024 geen reactie meer zal worden gegeven, is de door verzoeker aan zijn wrakingsverzoek verbonden voorwaarde vervuld en moet het wrakingsverzoek als zijnde onvoorwaardelijk geworden door de wrakingskamer worden beoordeeld en daarop worden beslist.
3.2.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan alleen de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt. Uit het verzoek blijkt niet dat dit betrekking heeft op de rechter die met de behandeling van de zaak belast is. De naam van de rechter wordt door verzoeker niet genoemd. Evenmin blijkt uit de stukken in het dossier dat de zaak inmiddels aan een rechter is toebedeeld. De tot nu toe in de zaak met verzoeker gevoerde correspondentie is afkomstig van de griffier: het griffierecht wordt, anders dan verzoeker kennelijk veronderstelt, zonder instructie van een rechter geheven op grond van artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Om deze redenen kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.3.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Misbruik van het wrakingsmiddel
3.4.
Inmiddels heeft verzoeker meermalen een wrakingsverzoek ingediend zodra in een bestuursrechtelijke procedure zijn beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het verschuldigde griffierecht door de griffier werd afgewezen of dreigde te worden afgewezen. Die wrakingsverzoeken werden telkens afgewezen, zoals onder meer blijkt uit ECLI:NL:RBROT:2023:3952, ECLI:NL:RBROT:2023:8756 en ECLI:NL:RBROT: 2023:9948, waarbij de wrakingskamer zich voor dit moment beperkt tot de beslissingen op wrakingsverzoeken van verzoeker in 2023.
3.5.
Door zo te handelen en in die handelwijze te volharden, maakt verzoeker gebruik van het middel van wraking kennelijk om te bewerkstelligen dat zijn standpunt ten aanzien van betalingsonmacht door de griffier alsnog zal worden overgenomen. Daarmee is sprake van misbruik van het wrakingsmiddel. De wrakingskamer zal dan ook bepalen dat een volgend wrakingsverzoek op dezelfde grondslag van verzoeker in deze zaak niet meer in behandeling wordt genomen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
4.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek op dezelfde grondslag van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Joele, voorzitter, en mr. K.A. Baggerman en
mr. M.B. van den Enden, rechters, in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.