ECLI:NL:RBROT:2024:560

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 februari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
ROT 23/5071
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:88 AwbArt. 82 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief Minister zonder Awb-besluit

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een brief van de Minister van Financiën van 17 maart 2023, waarin werd meegedeeld dat eiser geen financiële tegemoetkoming ontvangt vanwege het ontbreken van nadelige gevolgen van de FSV-registratie. De Minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat deze geen rechtsgevolg heeft.

De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2023 behandeld en beoordeeld of de brief kwalificeert als een Awb-besluit. De rechtbank oordeelt dat de brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling bevat en dat er geen sprake is van een besluit met rechtsgevolg. Tevens is geen verzoek tot schadevergoeding voorafgegaan, zodat conversie naar een verzoek daartoe niet aan de orde is.

De rechtbank concludeert dat tegen de brief geen bezwaar en beroep openstaat en verklaart het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand. Er worden geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter S. Veling op 1 februari 2024.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de brief van de Minister geen Awb-besluit is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2024 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten),
en

De Minister van Financiën, de Minister

(gemachtigde: mr. M.A.N. van de Kerkhof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een besluit van de Minister van 20 juni 2023 (het bestreden besluit), waarin eisers bezwaar tegen een brief van 17 maart 2023 niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
De Minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (telefonisch) en de gemachtigde van de Minister, samen met mr. L. Woudenberg.

Totstandkoming van het besluit

2. De Minister heeft aan eiser op 23 april 2021 een brief verstuurd met de mededeling dat eisers gegevens in de FSV [1] van de Belastingdienst stonden. Omdat het gebruik van deze voorziening niet voldeed aan de AVG, [2] is het systeem uitgezet. In deze brief is verder toegelicht dat nader zal worden onderzocht of deze registratie negatieve gevolgen heeft gehad voor eiser. Op 17 maart 2023 heeft de Minister eiser een brief verstuurd, waarin het volgende is vermeld:
“Omdat uw FSV-registratie geen gevolgen had binnen de Belastingdienst, komt u niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming.”
Naar aanleiding van eisers bezwaar tegen deze brief heeft de Minister het bestreden besluit genomen. Volgens de Minister is de brief van 17 maart 2023 geen besluit in de zin van de Awb [3] omdat de brief geen rechtsgevolg heeft.

Het beroep van eiser

3. In beroep voert eiser aan dat de brief van 17 maart 2023 een Awb-besluit is. Met het afwijzen van een financiële tegemoetkoming is namelijk sprake van een rechtsgevolg. Op de zitting heeft eiser verder aangevoerd dat door de Minister, in gevallen waarin sprake is van nadelige gevolgen, schadevergoedingen op grond van de AVG zijn toegekend. Eiser heeft ook toegelicht dat beroep is ingesteld omdat hij niet wil dat hem later, als er een wettelijke regeling is, tegengeworpen krijgt dat hij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de brief van 17 maart 2023.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank moet beoordelen of de Minister eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat de brief van 17 maart 2023 geen Awb-besluit is.
5. Onder een besluit in de zin van de Awb wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [4]
6. De rechtbank overweegt het volgende. Uit de toelichting van de Minister in het verweerschrift en op de zitting blijkt dat wordt gewerkt aan een regeling voor mensen die in de FSV zijn opgenomen en daarvan nadelige gevolgen hebben ondervonden. De rechtbank oordeelt dat de Minister zich onder deze omstandigheden terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 17 maart 2023 niet als een Awb-besluit kan worden aangemerkt. Bij gebrek aan een publiekrechtelijke grondslag kan niet gezegd worden dat de mededeling in de brief dat eiser niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming, is gericht op rechtsgevolg. [5] De rechtbank merkt daarbij op dat aan de brief van 17 maart 2023 geen verzoek van eiser om schadevergoeding, op grond van artikel 82 van Pro de AVG of anderszins, is voorafgegaan. Ook in de stellingen van eiser in beroep kan zo’n verzoek tot schadevergoeding niet worden gelezen. Er is daarom geen aanleiding tot conversie van het beroep in een verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb. [6]
7. Tegen de brief van 17 maart 2023 stond dus geen bezwaar en beroep open. De Minister heeft het bezwaar van eiser (tegen die brief) terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Fraude Signalering Voorziening
2.Algemene verordening gegevensbescherming
3.Algemene wet bestuursrecht
4.Dit is bepaald in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5.Zie ook een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2023,
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:436.