Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De verdere procedure
- de beschikking van deze rechtbank van 22 juni 2022 en de daarin genoemde stukken;
- de beschikking van deze rechtbank van 19 september 2022 waarin het verzoek van de vrouw tot verbetering van de beschikking van 22 juni 2022 is afgewezen;
- het bericht van de man met bijlagen van 1 mei 2023;
- het bericht van de vrouw met bijlagen en gewijzigde/aanvullende verzoeken van 4 mei 2023;
- het bericht van de vrouw van 17 mei 2023;
- het bericht van de man van 17 mei 2023.
- het bericht van de vrouw met bijlagen en gewijzigde verzoeken van 12 maart 2024 (abusievelijk door de vrouw gedateerd op 17 mei 2023);
- het bericht van de vrouw met bijlagen van 14 maart 2024 (abusievelijk door de vrouw gedateerd op 17 mei 2023);
- het bericht van de man met bijlagen en gewijzigde/aanvullende verzoeken van 15 maart 2024;
- het bericht van de vrouw met bijlagen en een voorwaardelijk aanvullend verzoek van 18 maart 2024.
- de man, vergezeld van zijn financieel adviseur [persoon A] en bijgestaan door zijn advocaat, die een pleitnota heeft overgelegd;
- de vrouw vergezeld van haar financieel adviseur [persoon B] en bijgestaan door haar advocaat, die een pleitnota heeft overgelegd.
2.De verdere vaststaande feiten
3.De verdere beoordeling
voorschot verdeling gemeenschap’(bijlage 20 van de vrouw). Vast staat dat de vrouw tijdens het huwelijk niet werkte en dus geen eigen inkomsten had. Vast staat verder dat de betaling van het bedrag van € 10.000,- plaatsvond kort voor de man eenzijdig besloot niet langer het bedrag van € 377,- per week aan de vrouw te voldoen, maar nog slechts een bijdrage in de kosten van de kinderen van € 915,- per maand. De man stelt zelf dat hij behalve de lasten verbonden aan de voormalige echtelijke woning geen kosten van de vrouw betaalde en dat hij met het bedrag van € 10.000,- de vrouw enige financiële armslag wilde geven. In het licht van deze feitelijke gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de storting van het bedrag van € 10.000,- beschouwd moet worden als het voldoen door de man aan zijn wettelijke verplichting op grond van de artikelen 1:81 en 1:84 BW om de vrouw het nodige te verschaffen. Dat de man om hem moverende redenen de betaling via een van zijn ondernemingen heeft laten lopen, is daarbij niet relevant. Dat de vrouw met het bedrag van € 10.000,- uitsluitend de kosten van haar advocaat heeft betaald en dat het meerdere op haar spaarrekening staat, betwist de vrouw en onderbouwt de man niet en is daarmee niet komen vast te staan.
- a) het bedrag van € 10.000,- in verband met de reductie van de koopsom van de voormalige echtelijke woning van € 20.000,-;
- b) het bedrag van € 726,- in verband met de kosten voor herstel van de tuin;
- c) het bedrag van € 8.197,- zijnde de helft van de navorderingsaanslag 2018 en om de vrouw te veroordelen om de eventuele navorderingsaanslagen over de jaren 2019 tot en met 2021 bij helfte te dragen.
- a) van 22 juni 2022 tot 1 januari 2023;
- b) vanaf 1 januari 2023;
- c) vanaf 1 januari 2024.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 2.969,- per maand.
- nadere vragen aan de deskundige te stellen/opdracht aan de deskundige te verstrekken zoals beschreven in haar bericht van 12 maart 2024;
- te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw te voldoen het bedrag van € 3.740,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
- vanaf 1 juli 2023;
- vanaf 1 januari 2024.
4.De beslissing
- met ingang van 22 juni 2022 het bedrag van € 656,- per maand per kind;
- met ingang van 1 januari 2023 het bedrag van € 650,- per maand per kind;
- met ingang van 1 januari 2024 het bedrag van € 583,- per maand per kind;
- met ingang van 1 juli 2023 van € 1.935,- bruto per maand;
- met ingang van 1 januari 2024 van € 2.187,- bruto per maand;