De rechtbank Rotterdam behandelde op 12 april 2024 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging aan betrokkene, die sinds 2011 bekend is met chronische psychoses en een geschiedenis van gedwongen opnames binnen de GGZ. De behandeling vond gelijktijdig plaats met de strafzaak waarin de officier primair een tbs-maatregel met dwangverpleging vorderde.
De deskundigen stelden dat een zorgmachtiging onvoldoende is vanwege het vereiste hoge beveiligingsniveau (niveau 3) en het aanzienlijke recidiverisico op gewelddadig gedrag. Een plaatsing in een GGZ-kliniek met beveiligingsniveau 2 zou onvoldoende bescherming bieden voor medepatiënten en personeel, en de zorgmachtiging is bovendien beperkt tot zes maanden, terwijl langdurige zorg noodzakelijk is.
De advocaat van betrokkene pleitte voor een zorgmachtiging in plaats van tbs, stellende dat betrokkene niet eerder voor mishandeling was veroordeeld en dat dwangmedicatie het gevaar had verminderd. De rechtbank oordeelde echter dat de tbs-maatregel noodzakelijk is om ernstig nadeel, waaronder geweldsdelicten, te voorkomen, en wees het verzoek tot zorgmachtiging af.
De beschikking werd gegeven door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, met als rechters J. de Lange, H.I. Kernkamp-Maathuis en J.J. Willemsen. Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.