ECLI:NL:RBROT:2024:1855

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 februari 2024
Publicatiedatum
8 maart 2024
Zaaknummer
10684196 \ CV EXPL 23-3351
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BWArt. 3 IVRKArt. 233 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting huurovereenkomst na beëindiging affectieve relatie met belang minderjarig kind

Partijen hadden een affectieve relatie en huurden samen een woning. Na het beëindigen van hun relatie verliet de vrouw met het minderjarige kind de woning, maar zij wil de huur voortzetten. De man wil eveneens in de woning blijven wonen. De kantonrechter overweegt dat beide partijen evenveel belang hebben bij voortzetting van de huurovereenkomst, maar het belang van het kind, dat het grootste deel van de tijd bij de vrouw verblijft en daar naar school gaat, weegt zwaarder.

De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een gelijkwaardig zorgmoment heeft, terwijl de vrouw dit betwist. Op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro en artikel 3 IVRK Pro wordt de huurovereenkomst voortgezet ten behoeve van de vrouw met uitsluiting van de man. De vordering van de man wordt afgewezen. Omdat de man de woning al heeft verlaten, wordt hij niet veroordeeld om de woning te ontruimen. Proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

De uitspraak benadrukt de belangenafweging tussen huurders bij beëindiging van een affectieve relatie en het belang van het minderjarige kind bij de woonplaatskeuze.

Uitkomst: De vrouw mag de huurovereenkomst voortzetten met uitsluiting van de man vanwege het belang van het minderjarige kind.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 10684196 \ CV EXPL 23-3351
datum uitspraak: 1 februari 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. N. Plaisier,
tegen
[gedaagde01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. S. Kandemir.
De partijen worden ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 augustus 2023, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen.
1.2.
Op 29 december 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: mr. N. Plaisier en mr. S. Kandemir.

2.De beoordeling

De zaak in het kort
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van [naam01] . [naam01] is nu vijf jaar oud. Partijen hebben met ingang van 14 juli 2020 samen de woning aan [adres01] (hierna: de woning) gehuurd. Na het verbreken van de relatie heeft [eiseres01] in januari 2023 de woning met [naam01] verlaten. Beide partijen willen in de woning blijven wonen. In een kort gedingprocedure heeft de kantonrechter [1] geoordeeld dat [eiseres01] in de woning mag blijven wonen. [gedaagde01] heeft de woning vervolgens vrijwillig verlaten voor 31 augustus 2023 en [eiseres01] is daarna met [naam01] in de woning gaan wonen. [gedaagde01] is in hoger beroep gegaan tegen het kort gedingvonnis, maar het gerechtshof Den Haag heeft nog geen uitspraak gedaan.
De eis (conventie)
2.2.
[eiseres01] wil in de huurwoning blijven wonen en zij eist daarom dat bepaald wordt dat [gedaagde01] niet langer de huur mag voortzetten en dat [eiseres01] met uitsluiting van [gedaagde01] gerechtigd is tot het gebruik van de woning. Ook eist [eiseres01] dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te verlaten en niet meer te betreden, met afgifte van de sleutels aan [eiseres01] . [eiseres01] eist voorts dat de proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
De tegeneis (reconventie)
2.3.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis van [eiseres01] en wil zelf in de woning wonen. Hij eist daarom in reconventie dat het huurrecht van de woning aan hem wordt toebedeeld en dat bepaald wordt dat [gedaagde01] met uitsluiting van [eiseres01] gerechtigd is tot het gebruik van de woning. Ook eist [gedaagde01] dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Het toetsingskader
2.4.
Uit artikel 7:267 lid 7 BW Pro volgt dat de huurder en/of wettelijke medehuurders kunnen vorderen dat de rechter bepaalt dat die huurder of wettelijke medehuurders de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Volgens vaste rechtspraak is artikel 7:267 lid 7 BW Pro ook van toepassing in het geval gezamenlijke huurders uit elkaar gaan. [2] Dit strekt zich ook uit tegenover de verhuurder. Als artikel 7:267 lid 7 BW Pro wordt toegepast, eindigt de huurovereenkomst dus ten aanzien van de vertrekkende huurder(s) op de door de rechter bepaalde dag en wordt de huurovereenkomst ten aanzien van de achterblijvende huurder(s) voortgezet.
De belangenafweging
2.5.
Gelet op dit toetsingskader zal beoordeeld moeten worden wie van partijen het meeste belang heeft om de huurovereenkomst te kunnen voortzetten. De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen op zich evenveel belang hebben om in de woning te blijven wonen. Geen van partijen is speciaal gebonden aan [plaats01] . Ook is het voor beide partijen geen ideale situatie om weer bij hun moeder/ouders te moeten intrekken of zelfs onderdak elders te moeten zoeken. [eiseres01] stelt echter dat [naam01] het grootste deel van de week bij haar is, dat [naam01] in [plaats01] naar school gaat, dat [naam01] daar zijn vriendjes heeft en dat het beter gaat met [naam01] sinds hij eind augustus 2023 weer in de woning woont. [gedaagde01] heeft dit niet weersproken, maar hij stelt wel dat hij inmiddels ook drie dagen per week voor [naam01] zorgt. [gedaagde01] heeft deze stelling echter onvoldoende onderbouwd, terwijl [eiseres01] dit betwist. De kantonrechter is gelet hierop van oordeel dat [eiseres01] een groter belang heeft bij voortzetten van de huurovereenkomst dan [gedaagde01] . De belangen van het kind vormen immers bij maatregelen betreffende kinderen de eerste overweging (artikel 3 IVRK Pro). Omdat [naam01] het grootste deel van zijn tijd bij [eiseres01] woont, heeft [eiseres01] het meeste belang bij voortzetting van de huurovereenkomst.
2.6.
De kantonrechter zal daarom de eis van [eiseres01] toewijzen dat [gedaagde01] niet langer de huur mag voortzetten en [eiseres01] met uitsluiting van [gedaagde01] gerechtigd is tot het gebruik van de woning. Dit heeft tot gevolg dat de tegeneis van [gedaagde01] wordt afgewezen.
2.7.
Omdat [gedaagde01] de woning al verlaten heeft, ziet de kantonrechter ziet geen reden om hem te veroordelen om de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te verlaten. Deze eis wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
2.8.
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
bepaalt dat [gedaagde01] met ingang van de datum van dit vonnis niet langer de huur zal voortzetten en [eiseres01] met uitsluiting van [gedaagde01] gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan [adres01] ;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst al het anders gevorderde af;
in reconventie
3.4.
wijst de vordering (tegeneis) van Moennoessing af;
in conventie en in reconventie
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.
31688

Voetnoten

1.Zaaknummer: 10395500 VV EXPL 23-135, uitspraak van 12 juli 2023.
2.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1964.