ECLI:NL:RBROT:2024:12942
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontheffing arbeidsverplichtingen en tegenprestatie op grond van de Participatiewet
Eiser, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Participatiewet, heeft bezwaar gemaakt tegen de duur van de ontheffing van arbeidsverplichtingen en tegenprestatie die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan hem heeft verleend. Het primaire besluit verleende ontheffing voor een periode van zes maanden, maar na bezwaar werd dit verlengd tot twee jaar, van 24 november 2023 tot en met 23 november 2025, vanwege medische belemmeringen en dringende sociale redenen.
Eiser stelde dat gezien zijn medische situatie een ontheffing van minimaal vijf jaar passend zou zijn, verwijzend naar UWV-beoordelingen en overgelegde medische stukken. De rechtbank toetste dit verzoek aan de wettelijke bepalingen en de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, die het college beoordelingsruimte toekent bij de duur van tijdelijke ontheffingen en een terughoudende toetsing door de bestuursrechter voorschrijft.
De rechtbank concludeerde dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat een ontheffing van twee jaar in overeenstemming met het beleid passend was. Hierbij werd rekening gehouden met het klantenprofiel, de medische en sociale situatie van eiser, en het feit dat hij een maatwerkvoorziening vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning ontvangt. De overgelegde medische rapportages boden geen aanleiding tot een langere ontheffing. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de ontheffing van arbeidsverplichtingen en tegenprestatie voor twee jaar wordt ongegrond verklaard.