Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
Rechtbank Rotterdam
Deze civiele procedure betreft de vraag of een sloot in Hendrik-Ido-Ambacht, gelegen langs percelen van eiser en gedaagde, als openbaar water kan worden aangemerkt. Eisers vorderen een verklaring voor recht dat het water openbaar is en dat zij en derden het mogen gebruiken voor recreatieve doeleinden zoals zwemmen en varen.
De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1815) waarin is bepaald dat het feitelijke gebruik van het water bepalend is voor de openbaarheid. Dit gebruik moet van voldoende duur, frequentie en intensiteit zijn om het exclusieve eigendomsrecht van de eigenaar te doorbreken.
Uit het dossier en de zitting blijkt dat het gebruik door eiser en derden te kort en onvoldoende frequent en intens is om tot openbaarheid te leiden. Gedaagde heeft gemotiveerd betwist dat er sprake is van substantieel gebruik, met name in het doodlopende deel van de sloot bij de woningen. De overgelegde verklaringen en foto’s bieden onvoldoende bewijs voor het vereiste feitelijke gebruik.
De rechtbank concludeert dat de sloot geen openbaar water is en dat gedaagde zich op zijn eigendomsrecht kan beroepen. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.726,00. Het vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans op 13 november 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en oordeelt dat de sloot geen openbaar water is vanwege onvoldoende feitelijk gebruik.