De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van witwassen van contante geldbedragen, een erfpachtrecht en cryptovaluta. De verdediging stelde dat er ernstige vormverzuimen waren begaan door opsporingsambtenaren, waaronder schending van de onschuldpresumptie, het nemo tenetur-beginsel, onvoldoende dossierinzage, excessief politieoptreden en overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van onherstelbare vormverzuimen die het recht op een eerlijk proces zouden schenden. De vermeende schendingen werden onderzocht en verworpen, waaronder de observaties, het gebruik van bankgegevens en het gebruik van een flitsgranaat bij aanhouding. Wel was er een overschrijding van de redelijke termijn van 17 maanden, maar dit leidde niet tot niet-ontvankelijkheid.
Ten aanzien van het witwassen was er aanvankelijk sprake van vermoedens op basis van contante stortingen, cryptovaluta en erfpachtrechten. De verdachte gaf echter plausibele verklaringen over de legale herkomst van deze vermogensbestanddelen. Nadere onderzoeken leverden geen aanwijzingen op die het vermoeden van witwassen bevestigden. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering en het respecteren van procesrechten, maar ook dat vermoedens door de verdachte kunnen worden ontkracht. De officier van justitie blijft ontvankelijk ondanks de aangevoerde procesverweren en de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering, wat hier niet aan de orde was vanwege vrijspraak.