ECLI:NL:RBROT:2024:11438

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
10/237024-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 273f lid 1 sub 1 Wetboek van StrafrechtArt. 273f lid 1 sub 3 Wetboek van StrafrechtArt. 273f lid 1 sub 4 Wetboek van StrafrechtArt. 273f lid 1 sub 6 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen mensenhandel en mensensmokkel wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 oktober 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van mensenhandel en mensensmokkel in de periode van september 2020 tot juni 2021. De verdediging voerde onder meer een schending van het recht op een eerlijk proces aan vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar, mede veroorzaakt door het horen van een buitenlandse getuige.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de redelijke termijn was overschreden, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De vermeende inbreuk op het recht op een eerlijk proces was niet onherstelbaar en werd gecompenseerd door de mogelijkheden van de verdediging, ondanks dat verdachte in het buitenland verbleef. Ook het betoog dat geen strafrechtelijk belang bij vervolging bestond, werd verworpen.

Ten aanzien van de tenlasteleggingen stelde de rechtbank vast dat het bewijs onvoldoende was om de verdachte wettig en overtuigend te veroordelen. De verdachte werd daarom vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, waaronder het aanwerven, vervoeren, huisvesten en uitbuiten van slachtoffers voor seksuele diensten, en het faciliteren van illegaal verblijf en doorreis van personen uit het buitenland.

De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering bij complexe strafzaken en benadrukt dat overschrijding van de redelijke termijn niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid, mits het proces als geheel eerlijk blijft. De zaak illustreert ook de uitdagingen bij internationale getuigenverhoren en communicatie met een verdachte die in het buitenland woont.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen mensenhandel en mensensmokkel wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/237024-21
Datum uitspraak: 30 oktober 2024
Tegenspraak (279 Sv)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:
[adres 1] ,
raadsman mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2024.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.J. Lindhout heeft vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gevorderd.

4.Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
Er is volgens de verdediging sprake van een extreme overschrijding van de redelijke termijn, die zich niet door strafvermindering laat compenseren. Het tijdsverloop heeft namelijk de waarheidsvinding bemoeilijkt. De zaak draait om twee complexe feiten en de feitelijkheden uit het dossier zijn na deze lange periode niet meer goed met de verdachte te bespreken. Ook is de relatie van de verdachte met medeverdachte [medeverdachte] inmiddels verbroken en is de getuige/medeverdachte [getuige 1] inmiddels overleden.
Omdat een en ander niet meer adequaat kan worden beoordeeld, zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde in ernstige mate geschonden. Het tijdsverloop heeft ook invloed op de voorbereiding van de verdediging. De verdachte woont inmiddels in het buitenland en zij spreekt de Nederlandse taal niet, waardoor de raadsman alleen telefonisch en met hulp van een tolk de zaak met haar kan bespreken. Hierdoor is er van een gelijk speelveld geen sprake meer en komt de kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting in het gedrang.
Daarnaast blijkt onvoldoende van een strafrechtelijk belang bij voortzetting van de vervolging. Er is aldus geen sprake van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
4.2.
Beoordeling door de rechtbank
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is neergelegd dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een behandeling binnen redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (hierna: HR) volgt dat overschrijding van de redelijke termijn als uitgangspunt niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderingsgevallen.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 9 juni 2021 aangehouden en voor het eerst door de politie gehoord. Op dit moment is de vervolgingstermijn gaan lopen. Op 27 oktober 2022 is de zaak op de zitting gepland voor een inhoudelijke behandeling. De zaak is aangehouden omdat de verdediging – net als de verdediging in de zaak van de medeverdachte – een verzoek heeft gedaan tot het horen van twee getuigen. Van één van deze getuigen ( [getuige 2] ) was de woonplaats onbekend. Gebleken is dat zij in Spanje verbleef. Op 6 maart 2023 is er een Europees Onderzoeksbevel naar Spanje verstuurd om deze getuige te horen. Zij is op 31 januari 2024 middels een videoverbinding door de rechter-commissaris gehoord. Sinds 9 juni 2021 tot aan dit vonnis is dus een periode van ruim drie jaar verstreken.
Omdat deze overschrijding niet geheel aan het openbaar ministerie te wijten is, maar mede het gevolg is van het verzoek om de getuige [getuige 2] te horen, van wie geen adres werd gegeven door de verdediging en van wie later bleek dat zij in het buitenland woonde, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
Recht op een eerlijk proces
Volgens rechtspraak van de HR komt bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in aanmerking in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen ‑ in de bewoordingen van het EHRM - dat "
the proceedings as a whole were not fair". Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld.
Andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging liggen volgens de HR meer in de rede indien sprake is van een - onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare - schending van de verdedigingsrechten. Dat is ook het geval wanneer het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal. (HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059; HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009).
Hoewel de rechtbank begrijpt dat het na verloop van tijd moeilijker is om op bepaalde feitelijke omstandigheden te reageren, is niet aangevoerd hoe dit in het onderhavige geval tot een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces heeft geleid.
Daarnaast is aangevoerd dat de voorbereidingsmogelijkheden van de verdediging beperkt zijn omdat de verdachte inmiddels in het buitenland woont. Dat zij in het buitenland woont is evenwel haar eigen keuze. Uit het pleidooi van de raadsman blijkt voorts dat zij – ondanks de afstand – telefonisch en met behulp van een tolk met elkaar hebben kunnen spreken. De raadsman voelde zich kennelijk voldoende in staat namens zijn cliënte het woord te voeren.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van een inbreuk op de verdedigingsrechten die zo ernstig is dat niet gezegd kan worden dat het strafproces van de verdachte als geheel niet eerlijk is geweest. De rechtbank verwerpt het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging vanwege een schending van het recht op een eerlijk proces.
Verbod op willekeur
Mogelijk heeft de verdediging bedoeld een beroep te doen op het verbod tot willekeur, door op te merken dat de beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden en dat met de strafrechtelijke vervolging van de verdachte geen strafrechtelijk belang wordt gediend. Dit verweer wordt ook verworpen. Er is geen sprake van een apert onevenredige vervolgingsbeslissing. Dat is wel het geval als geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Daarvan is deze zaak geen sprake en dit is ook niet door de verdediging aangevoerd. Ook dit kan dus niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.
4.3.
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5.Waardering van het bewijs

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

6.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

7.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. M. van Zinnen en W.J.M. Diekman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Grubben, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
zij,
in of omstreeks de periode van 5 september 2020 tot en met 5 oktober 2020 te
Rotterdam en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, genaamd [slachtoffer] (werknaam [naam 1] ),
heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd met het oogmerk die ander(en) in
een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot
het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen
betaling
(artikel 273f lid 1 sub 3),
en/of
(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van
Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een
andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door
afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke
omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare
positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de
instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer]
heeft,
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het
oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of
2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van
arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen
waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs
moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou
stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1
sub 4), en/of
3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te
bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer]
met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9), en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer]
(artikel 273 f lid 1 sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een
andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- het (in ernstige mate) beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer] ;
- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of
overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer] ;
- het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [slachtoffer] ,
waardoor het voor die [slachtoffer] werd bemoeilijkt zich aan die controle en/of
die prostitutiewerkzaamheden te onttrekken;
- het brengen en/of houden van die [slachtoffer] in een positie waar hij/zij niet
over zijn/haar eigen financiële middelen kon beschikken;
en/of waarbij voornoemde (onder 2) "enige handeling" heeft bestaan uit:
- het laten verblijven van die [slachtoffer] in haar, verdachtes, woning/ in de
woning van haar, verdachtes, mededader (aan [adres 2]
) en/of het ter beschikking stellen van die woning als werkplek (voor
prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] );
- het regelen van een woonadres en/of een inschrijfadres voor die [slachtoffer] ;
- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [slachtoffer] ;
- het geven van uitleg en/of instructie aan die [slachtoffer] met betrekking tot de
door die [slachtoffer] te verrichten prostitutiewerkzaamheden;
- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met
(potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer] en/of het maken van
afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de
prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;
- het bepalen welke klanten die [slachtoffer] moest aannemen voor zijn/haar
prostitutiewerkzaamheden;
- het instrueren van die [slachtoffer] wanneer hij/zij klaar moest staan voor
prostitutiewerkzaamheden;
( art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht, art 273f lid 1 ahf/sub 4° Wetboek
van Strafrecht, art 273f lid 1 ahf/sub 6° Wetboek van Strafrecht, art 273f lid 1 ahf/sub
9° Wetboek van Strafrecht, art 273f lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht )
2
zij,
in of omstreeks de periode van 5 september 2020 tot en met 25 juni 2021
te Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Spijkenisse en/of elders in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander of anderen, te weten:
- [slachtoffer] (met de Colombiaanse nationaliteit) en/of
- [naam 2] (met de Braziliaanse nationaliteit) en/of
- [getuige 2] (met de Dominicaanse nationaliteit) en/of
- [naam 3] (met de Dominicaanse nationaliteit),
althans één of meer personen van buitenlandse afkomst,
- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis
door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of genoemde
personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of
- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf
in Nederland en/of een andere lidstaat in de Europese Unie, en/of genoemde
personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft
door (een) verblijf- en/of werk- en/of woonadres(sen) en/of werk voor voornoemde
personen te (laten) regelen
en (aldus) het verblijf in Nederland en/of een land in de Europese Unie
georganiseerd en/of
gefaciliteerd en/of gecoördineerd,
terwijl zij, verdachte, en haar mededader(s), wist(en) of ernstige redenen
had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was en/of
terwijl zij, verdachte, en haar mededader(s) van bovengenoemde handeling(en) een
beroep en/of gewoonte heb(ben) gemaakt;
( art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht ).