Partijen huren sinds juni 2020 gezamenlijk een woning in Rotterdam en zijn ouders van een minderjarige. Na het beëindigen van hun affectieve relatie in 2022 ontstond een geschil over wie de huur van de woning mag voortzetten.
De eiseres vordert dat de gedaagde de huur niet voortzet en de woning ontruimt, stellende dat zij het eenhoofdig gezag over de minderjarige heeft en financieel in staat is de huur te betalen. De gedaagde verzet zich hiertegen en vordert in reconventie het exclusieve gebruik van de woning, stellende dat hij voornamelijk voor de minderjarige zorgt en investeringen in de woning heeft gedaan.
De kantonrechter overweegt dat de belangenafweging moet uitgaan van het belang van de minderjarige, die de woonplaats van de ouder met het eenhoofdig gezag volgt. Het belang van de eiseres weegt zwaarder vanwege het gezag en de stabiele woonomgeving nabij de gastouder. De stellingen over onveilige situaties door de nieuwe partner van de eiseres worden niet bewezen geacht. De financiële positie van de eiseres is voldoende aangetoond, terwijl de gedaagde geen financiële gegevens heeft overgelegd.
De kantonrechter wijst de vordering van de eiseres toe en de vordering van de gedaagde af. De gedaagde wordt veroordeeld de woning uiterlijk 30 september 2023 te verlaten. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.