ECLI:NL:RBROT:2023:8522

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
9912546 CV EXPL 22-16994
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer in verzuim voor herstel woning, schadevergoeding toegewezen aan opdrachtgever

De rechtbank Rotterdam heeft op 1 september 2023 uitspraak gedaan in een zaak tussen een opdrachtgever en een aannemer over het niet tijdig herstellen van gebreken aan een woning. De aannemer stelde dat hij steeds herstel had aangeboden, maar heeft dit niet kunnen onderbouwen met bewijs van een concreet voorstel vóór 14 januari 2023. Hierdoor is de aannemer in verzuim verklaard sinds 15 januari 2023.

De opdrachtgever vorderde vergoeding van herstelkosten en kosten voor een schade-actualisatierapport. De rechtbank stelde vast dat de schadeberekeningen van een deskundige die de situatie ter plaatse heeft opgenomen en een andere deskundige die een begroting maakte, vrijwel overeenkwamen bij volledig herstel door derden. Daarom werd de schadevergoeding vastgesteld op het bedrag dat de deskundige ter plaatse had berekend, namelijk €23.292,50, plus €1.442,57 voor de rapportagekosten.

Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente vanaf 14 januari 2023 toegewezen. De proceskosten werden vastgesteld op €2.674,24 en werden aan de aannemer opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Aannemer is in verzuim en moet opdrachtgever €25.890,60 betalen met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 9912546 CV EXPL 22-16994
datum uitspraak: 1 september 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser01] ,

2. [eiser02],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eisers,
gemachtigde: mr. J. Groot Koerkamp,
tegen
[gedaagde01], die handelt onder de naam
[naam bedrijf01],
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.A.M. Jansen.
De partijen worden hierna (in enkelvoud) ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- het tussenvonnis van 30 juni 2023 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
In het tussenvonnis is [gedaagde01] in de gelegenheid gesteld om op de rolzitting van 27 juli 2023 zijn stelling toe te lichten dat hij steeds herstel heeft aangeboden. Op voorwaarde dat uit die toelichting blijkt dat hij tijdig een voorstel heeft gedaan om de gebreken aan de woning van [eiser01] vóór 14 januari 2023 te herstellen, is [gedaagde01] toegelaten om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij tijdig zo’n voorstel heeft gedaan en dat [eiser01] heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de uitvoering daarvan.
1.3.
[gedaagde01] heeft op 27 juli 2023 geen toelichting gegeven en heeft ook niet om uitstel gevraagd. Daarom is bepaald dat vandaag eindvonnis wordt gewezen.

2.De verdere beoordeling

[gedaagde01] is sinds 15 januari 2023 in verzuim
2.1.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 30 juni 2023 onder 4.3 overwogen dat van verzuim van [gedaagde01] alleen dan geen sprake kan zijn, als sprake is van schuldeisersverzuim aan de kant van [eiser01] , dat dan moet zijn ontstaan vóór 14 januari 2023. Dit is de datum waarop [gedaagde01] ingevolge het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 november 2022 de gebreken aan de woning van [eiser01] moest hebben hersteld.
2.2.
Omdat [gedaagde01] geen nadere toelichting heeft gegeven op zijn stelling dat hij steeds herstel heeft aangeboden, heeft hij te weinig gesteld om aan te nemen dat hij zich erop beroept dat hij vóór 14 januari 2023 een concreet voorstel aan [eiser01] heeft gedaan. De kantonrechter moet het er daarom voor houden dat [gedaagde01] geen beroep op schuldeisersverzuim doet. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu aan de voorwaarde daarvoor niet is voldaan.
2.3.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde01] sinds 15 januari 2023 in verzuim is met het herstellen van de gebreken aan de woning van [eiser01] , zoals overeengekomen in het proces-verbaal van 14 november 2023. Dit brengt mee dat [eiser01] aanspraak heeft op vergoeding van de schade.
Hoogte schadevergoeding
2.4.
[eiser01] vordert een bedrag van € 23.292,50 aan herstelkosten en € 1.442,57 aan kosten voor de (schade)rapportage.
2.5.
De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van € 23.292,50 toe. [eiser01] heeft bij akte van 15 maart 2023 een rapport overgelegd van EMN, waarin een actualisatie van de schade is opgenomen. EMN heeft de situatie ter plaatse zelf opgenomen, op 17 februari 2023, in het bijzijn van [gedaagde01] . [gedaagde01] heeft bij akte van 4 mei 2023 een rapport van Werc Advies overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat Werc de situatie ter plaatse niet zelf heeft opgenomen, maar slechts een begroting heeft gemaakt voor werkzaamheden die volgens [gedaagde01] zelf nodig zijn om tot herstel te komen. Werc komt daarbij op een schadebedrag van € 10.250,- in geval van gedeeltelijk herstel van het dak. In geval van volledig herstel, waarvan EMN is uitgegaan, begroot (ook) Werc de schade op een bedrag van € 23.200,-. Werc merkt daarbij op dat dit laatste bedrag de kosten betreft in het geval dat herstel door derden moet plaatsvinden, ermee rekening houdend dat “
derden over het algemeen niet geneigd zijn andermans werk te herstellen”.
2.6.
De kantonrechter ziet in de omstandigheid dat EMN de situatie ter plaatse zelf heeft opgenomen en vervolgens tot een nieuwe schadeberekening is gekomen en in de omstandigheid dat de schadeberekeningen van EMN en Werc vrijwel overeenkomen als wordt uitgegaan van herstel door een derde (dat wil zeggen: volledig herstel), reden om de schade te begroten op het door EMN berekende bedrag van € 23.292,50. Uitgegaan moet worden van de kosten van herstel door derden, nu [gedaagde01] in verzuim is en dus niet zelf het herstel uitvoert. [gedaagde01] heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd dat gedeeltelijk herstel voldoende is om de gebreken te herstellen.
2.7.
Ook de kosten voor de actualisatie van de schade die EMN in rekening heeft gebracht, van € 1.442,57, moeten door [eiser01] vergoed worden. Dit volgt uit artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. [gedaagde01] heeft deze vordering ook niet weersproken.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
2.8.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). De rente wordt toegewezen, omdat [eiser01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] dat niet heeft betwist, zij het dat de wettelijke rente pas wordt toegewezen met ingang van 14 januari 2023, de datum waarop [gedaagde01] met zijn verplichtingen uit het proces-verbaal van 14 november 2022 in verzuim is geraakt. [eiser01] heeft niet onderbouwd waarom de wettelijke rente vanaf een eerdere datum verschuldigd zou zijn.
Proceskosten
2.9.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 129,74 aan dagvaardingskosten, € 693,- aan griffierecht en € 1.851,50 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 529,-). Dit is totaal € 2.674,24. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente wordt toegewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 25.890,60 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 24.735,35 vanaf 14 januari 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser01] tot vandaag worden vastgesteld op € 2.674,24 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909