Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2023 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaatsnaam 1], verzoekster
Autoriteit Consument & Markt, (de ACM)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1], uit [plaatsnaam 2]
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
In de algemene ruimtes van het gebouw bevinden zich vier warmtepompen, die warmte leveren voor ruimteverwarming en warm tapwater. In de woningen bevindt zich een boilervat met een capaciteit van 150 liter water van 60 °C voor warm tapwater. Dit vat wordt met warm tapwater van de warmtepomp gevoed. Het (collectief) Tapwatersysteem zorgt voor het dagelijks automatisch opwarmen van het boilervat in de woning. [1]
- [verzoekster] is eigenaar van het warmtesysteem. Tussen de eigenaar van het gebouw State en [verzoekster] is een Raamovereenkomst project Stadsblok Kop Weesper Trekvaart (Raamovereenkomst) getekend met daarin afspraken over onder andere het warmtesysteem in het gebouw State. Uit de akte in bijlage 2 bij deze Raamovereenkomst volgt dat [verzoekster] eigenaar is van het warmtesysteem in het complex en dat daarvoor door de eigenaar van het gebouw een recht van opstal is gevestigd voor [verzoekster]. In artikel 4.3 van de Raamovereenkomst is bepaald dat [verzoekster] op gedegen wijze het warmtesysteem zal beheren;
- De via het systeem aan bewoners geleverde warmte is bestemd voor ruimteverwarming en verwarming van tapwater. Dit betekent dat [verzoekster] het wooncomplex waar [naam 1] woonachtig is van warm tapwater en ruimteverwarming voorziet;
- De afspraken tussen bewoners en [verzoekster] over het gebruik en instandhouden van het warmtesysteem zijn neergelegd in de zogenoemde “Huurovereenkomst
- [verzoekster] brengt aan de afnemers kosten in rekening voor het warmtesysteem en de warmtelevering. In artikel 6 van Pro het Contract [verzoekster] is bepaald dat [verzoekster] voor gebruik van het (warmte)systeem voor de verschillende typen appartementen een vast huurtarief in rekening brengt bij verbruikers. Dit bedrag wordt eventueel vermeerderd met een variabel tarief voor de kosten voor warmte en koeling, het energieverbruik van de warmtepompen en het tapwaterverbruik. Of de variabele kosten in rekening worden gebracht, is afhankelijk van of de verbruiker meer dan 1 boilervat warmwater per dag verbruikt en/of de verbruiker de thermostaat hoger dan 20 graden Celsius instelt;
- In artikel 4 van Pro het Contract [verzoekster] is bepaald dat [verzoekster] verantwoordelijk is voor het herstel, onderhoud, vervanging en de monitoring van het warmtesysteem.
Het opwekken van elektriciteit door de bewoners zelf of via door de VvE ingekochte elektriciteit is gelet op de definitie van warmte niet relevant voor de vraag of er sprake is van levering van warmte [5] . Voor zover [verzoekster] bepleit dat er sprake is van strijd met de Richtlijn en de Ww richtlijnconform moet worden uitgelegd, slaagt dat pleidooi evenmin. Nog daargelaten dat de ACM ter zitting heeft weersproken dat de betrokken huurders kwalificeren als “zelfverbruiker van hernieuwbare energie” [6] , is in de Richtlijn geen bepaling opgenomen die dwingt tot het inperken van het toepassingsbereik van de Ww in de door [verzoekster] gewenste zin.
Er is dan ook aanleiding de onderdelen E en F van de lasten I tot en met IV en onderdelen H en I van last V te schorsen.
Beslissing
- verlengt de begunstigingstermijn van last I.(A), II.(A), III.(A), IV.(A), V.(A) en V.(B) tot 2 weken na verzending van deze uitspraak;
- verlengt de termijn van I.(D), II. (D), III.(D) en IV.(D) met drie dagen na de verlengde begunstigingstermijnen van de lasten I.(A), II.(A), III.(A) en IV.(A);
- verlengt de in V.(G) genoemde datum van 2 juni 2023 met drie dagen na de verlengde begunstigingstermijn van de lasten V.(A) en V.(B);
- schorst de onderdelen E en F van de lasten I tot en met IV en onderdelen H en I van last V;
- schorst het publicatiebesluit voor zover dat ziet op de onderdelen E en F van de lasten I tot en met IV en onderdelen H en I van last V;
- wijst het verzoek voor het overige af;
- bepaalt dat de ACM aan [verzoekster] het betaalde griffierecht van € 365 vergoedt;
- veroordeelt de ACM in de proceskosten van [verzoekster] tot een bedrag van € 2.511.
mr.M. Traousis-van Wingaarden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
5 juli 2023.